Orianne Aymard

Ānandamayī Ma (Ma Ānandamayī)

 

ĀNANDAMAYĪ MĀ TIJDLIJN

1896 (april 30): Nirmāla Sundari werd geboren in Kheora, een heel klein dorpje in Oost-Bengalen, in het huidige Bangladesh.

1909 (februari): Nirmāla Sundari was getrouwd met Shri Ramani Mohan Chakravarti (later Bholanāth genoemd, een naam voor Śiva, door Nirmāla Sundari).

1918: Terwijl Nirmāla Sundari in Bajitpur (nu in Bangladesh) woonde, ondernam ze een intensieve sādhanā (spirituele discipline).

1922 (augustus): In Bajitpur ervoer Nirmāla Sundari zelf-dīkṣā (zelfinitiatie) tijdens de volle maan.

1924: Bholanāth en Nirmāla Sundari verhuisden naar Dhaka in Oost-Bengalen (wat nu de hoofdstad van Bangladesh is), waar ze toegewijden aantrok.

1925: In Dhaka werd ze Ānandamayī Mā genoemd door Shri Jyotish Chandra Roy (bekend als Bhaiji).

1926: De eerste ashram werd gebouwd door toegewijden voor Ānandamayī Mā in Dhaka nabij de Siddheshwari Kali Mandir (tempel).

1950: De Shree Shree Anandamayee Sangha (de Śrī Śrī Ānandamayī-gemeenschap) werd opgericht.

1982 (27 augustus): Ānandamayī Mā "verliet haar lichaam" in de ashram van Kishenpur in Dehradun, Uttarakhand, India.

BIOGRAFIE

Ānandamayī Mā werd op 30 april 1896 geboren in het kleine dorpje Kheora in Oost-India (aan de huidige oostgrens van Bangladesh), als zoon van arme Vaiṣṇava-brahmaanse ouders. Ze noemden haar Nirmāla Sundari, wat 'onberispelijke schoonheid' of 'zuiverheid' betekent. Later werden ook de achternamen van Hasi (glimlach) en Khusir (de blije) aan haar gegeven. Volgens haar spirituele biografieën, [Afbeelding rechts], vooral de geschriften van professor Bithika Mukerji, bewees Nirmāla Sundari vanaf haar jeugd een afstandelijk kind te zijn dat weinig belangstelling had voor de omgeving, zo erg zelfs dat velen dachten dat ze verstandelijk gehandicapt was. .

Op dertienjarige leeftijd trouwde Nirmāla Sundari met de veel oudere Ramani Mohan Chakravarti, en toen ze achttien was, ging ze bij haar echtgenoot wonen, die ze later Bholanāth noemde, een van Śiva's namen. Hoewel ze doorging met trouwen en wordt beschreven als de voorbeeldige huisvrouw, heeft het paar eigenlijk nooit hun huwelijk voltrokken en had ze geen kinderen. Ze nam daarom afstand van de traditionele huwelijksvormen, [Afbeelding rechts] in strijd met het ideaal van pativrata, de volmaakte hindoe-vrouw die aan haar echtgenoot gezworen had.

In 1918 verhuisden Nirmāla en Bholanāth naar Bajitpur in Oost-Bengalen, waar ze een intensieve sādhanā (spirituele discipline) onderging. Zes jaar lang zou ze elk type sādhanā hebben beoefend. Hoewel ze nooit enige spirituele lering van een meester-yogi heeft ontvangen, was ze spontaan in staat om yogahoudingen uit te voeren en mudrā's (symbolische of rituele gebaren) te perfectioneren. Ze noemde dit haar “līlā van sādhanā” (līlā betekent spelen, spel), want zoals het altijd hetzelfde voor haar was, viel er spiritueel niets te bereiken. Zo bevestigde Ānandamayī Mā later dat haar toestand er altijd een van spirituele realisatie was geweest en dat ze nooit vorige levens had gehad en ook geen toekomstige levens zou hebben, zoals ze zei:

Ik ben wat ik was en wat ik zal zijn; Ik ben wat je bedenkt, denkt of zegt. Maar het is een opperste feit dat dit lichaam niet is ontstaan ​​om de vruchten te plukken van karma uit het verleden. Waarom neem je niet aan dat dit lichaam de materiële belichaming is van al je gedachten en ideeën. Jullie hebben het allemaal gewild en je hebt het nu. Speel dus een tijdje met deze pop (Bhaiji 2004: 6).

Gopinath Kaviraj, een Bengaalse pandit (hindoegeleerde geleerd in Sanskrietgeschriften, filosofie en religie), zag Ānandamayī Mā op dezelfde manier: “Samadhi of geen Samadhi, ze is waar ze altijd is geweest; Ze kent geen verandering, geen wijziging, geen wijziging ”(Kaviraj en Vibhusana 1967: 169). (Samādhi is in het hindoeïsme een term die verwijst naar een intense onderdompeling van bewustzijn in God / dess, het Ultieme. Het woord samādhi wordt ook gebruikt om naar het graf van een heilige of goeroe te verwijzen)

Gedurende deze tijd raakte Nirmāla vaak in trance en werd aangenomen dat hij ziek was of bezeten was door geesten. Toen haar man dit vreemde gedrag waarnam, vroeg hij exorcisten om de waanzin van zijn vrouw te genezen, maar in plaats van haar als een gek te behandelen, zagen ze haar uiteindelijk als een incarnatie van Devī, de Goddelijke Moeder. Volgens de godsdiensthistoricus June McDaniel is de goddelijke status van Ānandamayī Mā verbonden met deze tranceachtige staten, [Afbeelding rechts] die tekenen zijn van spirituele extase in het hindoeïsme (McDaniel 1989: 202). In Zuid-Azië wordt goddelijke waanzin gezien als een soort goddelijke bedwelming en is het een van de criteria om als heilige te worden beschouwd (Kinsley 1974).

Nirmāla Sundari zette haar sādhanā voort door een periode van stilte (mauna) van drie jaar in te gaan. Op 3 augustus 1922 voerde ze uiteindelijk een inwijding (dīkṣā) voor zichzelf uit en werd ze tegelijkertijd discipel (śiṣya), leraar (goeroe) en goddelijkheid (iṣṭa). [Dīkṣā, of initiatie, kan worden gedefinieerd als de mededeling van een energie, een vibratie, een instroom aan de ingewijden, of als de overdracht van een spirituele invloed die nodig zou zijn met betrekking tot het werk van spirituele zuivering. Dit proces van zuivering verwijst naar de ontbinding van het ego. Initiatie omvat over het algemeen de overdracht en ondersteuning van een mantra, waarvan de functie is om spirituele kracht (śakti) over te brengen.] In december 1922 vroeg de echtgenoot van Ānandamayī Mā om door haar te worden ingewijd en werd daardoor haar eerste discipel. Deze praktijk van zelfinitiatie gaat tot op de dag van vandaag door bij sommige vrouwelijke goeroes, en onthult dat persoonlijke ervaring en mystieke toestanden in plaats van opvolging of afstamming vaak de erkenning van vrouwelijke goeroes bepalen (Pechilis 2012; Warrier 2005).

In 1924 vertrokken Bholanāth en Nirmāla naar Dhaka in Oost-Bengalen. (Dhaka is nu de hoofdstad van Bangladesh.) Het was tijdens deze periode dat de eerste discipelen naar Nirmāla Sundari begonnen te stromen, en het was ook in Dhaka dat een van haar naaste discipelen, bekend als Bhaiji, haar de naam Ānandamayī Mā gaf, wat betekent 'Moeder vol geluk' of 'Moeder verzadigd van vreugde'. Beetje bij beetje begonnen mensen te horen over Ānandamayī Mā en haar staat van extase, en kwamen ze haar tegemoet. Sommigen zagen haar als een incarnatie van de Goddelijke Moeder, een manifestatie van de godin Kālī, waaruit de naam "Menselijke Kālī" kwam die aan haar werd gegeven. Anderen zagen Ānandamayī Mā als een wezen dat de staat van volmaakte realisatie had bereikt (Jīvanmukta, iemand die tijdens zijn leven bevrijd is) en buitengewone spirituele krachten bezat. Onder de krachten die haar werden toegeschreven, zijn die van helderziendheid en genezing, de laatste vaak de basis van de reputatie van een heilige (Keyes 1982: 2). Ānandamayī Mā zou deze krachten en wonderen echter nooit aan zichzelf toeschrijven, aangezien ze altijd sprak over de actie van God.

Op dat moment begon Ānandamayī Mā steeds minder voor haar lichaam te zorgen, en had daarom anderen nodig om voor haar te zorgen. Ze verklaarde dat ze het verschil tussen vuur en water niet kon zien en dat als anderen niet voor haar lichaam zouden zorgen, het zou worden vernietigd. In 1926, op dertigjarige leeftijd, stopte Ānandamayī Mā ook met eten met haar eigen handen en werd in plaats daarvan gevoed door Didi, een van haar naaste discipelen, en andere brahmacārinis (beginnende nonnen).

Aan het eind van de jaren twintig begon Ānandamayī Mā de rol van goeroe of spiritueel leraar op zich te nemen en gaf ze dīkṣā aan een kleine kring van toegewijden, hoewel ze haar hele leven nog steeds volhield dat ze geen goeroe was. Ze bevestigde: “Alleen God is de goeroe. Het is een zonde om de goeroe als een mens te beschouwen ”(Desjardins 1920: 1982). Het aantal van haar toegewijden, in het begin voornamelijk mannen, bleef toenemen en in 190 bouwden ze de Siddheshwari ashram (retraite centrum) voor Ānandamayī Mā in Dhaka. Desondanks bleef ze niet in de ashram en begon ze pelgrimstochten door heel India te maken, en bewoog ze tot aan haar dood, als 'een vogel op de vleugel', zoals ze zichzelf graag noemde. Ānandamayī Mā gaf geen enkele indicatie van waar ze heen zou gaan of wanneer ze zou gaan, noch heeft ze ooit aangegeven of ze zou terugkeren. Ze ging gewoon naar het dichtstbijzijnde treinstation, vaak midden in de nacht, en nam de eerste vertrekkende trein. Ze zou volgen wat ze haar kheyāla noemde, of goddelijke inspiratie.

Tijdens haar reizen ontmoette ze mensen van alle achtergronden. Koningen, politici en vooraanstaande goeroes en heiligen wierpen zich ook voor haar neer. [Afbeelding rechts] Onder hen waren Swami Shivananda Saraswati (1887-1963), de oprichter van de Divine Life Society, en de yogi Paramahansa Yogananda (1893-1952), evenals talrijke politici, waaronder de president van de Republiek India , Dr. Rajendra Prasad (1884–1963), de vice-president en filosoof Sarvepalli Radhakrishnan (1888–1975), en premier Jawaharlal Nehru (1889–1964). [Afbeelding rechts] Ze had ook verschillende ontmoetingen met Mohandas Gandhi (1869–1948), die haar als zijn dochter beschouwde.

Op 27 augustus 1982 verliet Ānandamayī Mā 'haar lichaam', om de uitdrukking van haar toegewijden te gebruiken, in de ashram van Kishenpur, in Dehradun, in de staat Uttarakand, 256 kilometer ten noorden van Delhi. Overdag vond er een processie plaats van Dehradun naar Kankhal, dicht bij Haridwar aan de rivier de Ganges, waar Ānandamayī Mā's samādhi (tombe) zich nu bevindt, [Afbeelding rechts] en haar lichaam werd begraven volgens de regels die specifiek zijn voor de hindoeïstische begrafenis van een groot spiritueel wezen. Indiase hoogwaardigheidsbekleders kwamen hulde brengen aan Ānandamayī Mā, waaronder premier Indira Gandhi (1917–1984), dochter van Jawaharlal Nehru.

LIEFHEBBERS

Communitynandamayī Mā's gemeenschap van bhakta's (toegewijden) weerspiegelde een aanzienlijke diversiteit. Diverse sociale klassen en kasten, en zelfs verschillende religies zijn vertegenwoordigd. Toch was de overheersing van een bepaald type toegewijde niettemin tamelijk duidelijk, aangezien de volgelingen van Ānandamayī Mā voor het grootste deel hindoe waren, vooral uit brahmaanse kasten toen ze als brahmaan werd geboren. Ze kwamen voornamelijk uit Bengalen, net als zij.

Haar toegewijden kwamen ook voornamelijk uit stedelijke omgevingen en behoorden tot de hogere lagen van de samenleving. In deze gemeenschap was het niet zeldzaam om rijke families van industriële of politieke persoonlijkheden te ontmoeten die hun toevlucht zochten aan de voeten van Ānandamayī Mā. Het was zo tijdens haar leven en is nog steeds het geval. Het is ook opmerkelijk dat ze onder haar discipelen vele machtige politieke figuren telde, zoals Kamala Nehru (1899–1936), de vrouw van Jawaharlal Nehru, en haar dochter premier Indira Gandhi, evenals geleerden zoals Gopinath Kaviraj (1887–1976) ). Ram Alexander, een discipel van Ānandamayī Mā, beschrijft de rijke en goed opgeleide discipelen als volgt: "Vaak waren dit hoogopgeleide mensen die met ernstige sociale misstanden te maken kregen, vooral omdat het ongehoord was om dergelijke begeleiding te krijgen van een ongeschoolde dorpsvrouw" (Atmananda 2000: 23). Het is duidelijk dat de aanwezigheid van toegewijden van hogere klasse, de rijke en intellectuele elites, een rol speelde bij de zichtbaarheid van de aanbidding van Ānandamayī Mā (Babb 1988: 170).

Vrouwen vertegenwoordigden ook een groot deel van de gemeenschap van toegewijden, en het lijkt erop dat hun aantal groter was dan dat van mannelijke toegewijden. Verre van Ānandamayī Mā, de Allerhoogste Godin bovenal, te beschouwen als een bron van empowerment of als een model voor vrouwen, kan de aanwezigheid van zoveel vrouwelijke toegewijden worden toegeschreven aan het feit dat ze meer toegang tot haar lichaam konden hebben dan mannen ( Hallstrom 1999).

Er waren ook buitenlandse toegewijden, hoewel hun aantal veel minder was dan Indiase toegewijden. Een van de zeer naaste westerse discipelen van Ānandamayī Mā was een joodse arts, Abraham Jacob Weintraub, een inwoner van Metz, Frankrijk en zoon van de belangrijkste rabbijn van die stad. In 1950 verliet hij Frankrijk voor Sri Lanka en India met de bedoeling slechts twee maanden te blijven. Kort na zijn aankomst ontmoette hij Ānandamayī Mā en besloot haar te volgen. Later werd hij monnik (swami) in haar organisatie en nam de naam Swami Vijayānanda (gelukzaligheid van overwinning) aan. Swami Vijayānanda keerde nooit terug naar Frankrijk en bracht bijna zestig jaar door in India, waaronder zeventien jaar als kluizenaar in het Himalaya-gebergte. Tot zijn dood op 5 april 2010 op de leeftijd van vijfennegentig, verwelkomde hij westerlingen in de ashram van Ānandamayī Mā in Kankhal. Tegenwoordig wordt Swami Vijayānanda vereerd bij zijn graf in Père Lachaise, de historische begraafplaats van Parijs, door een groep mensen die hem kenden of die zich aangetrokken voelen tot zijn leer. Hij dient als een brug tussen Oost en West, maar ook als een centraal personage in de aanbidding van Ānandamayī Mā.

DOCTRINES / OVERTUIGINGEN 

Ānandamayī Mā belichaamde een grote mate van universaliteit in haar leer. Mensen met veel religieuze achtergronden en geografische achtergronden voelden zich tot haar aangetrokken. Haar leer was geschikt voor elk individu en zou eenvoudig kunnen worden samengevat in haar uitspraken dat het doel van het leven de realisatie van iemands ware aard is, van eenzijn met God. In dit verband sprak ze over de zoektocht naar iemands ware identiteit om te ontsnappen aan de wereld van de dood:

Je studeert en je slaagt voor je examen; je verdient geld en je geniet ervan. Maar dit alles is in het rijk van de dood, waarin je leven na leven verder gaat en hetzelfde keer op keer herhaalt. Maar er is ook een ander pad - het pad van onsterfelijkheid, dat leidt tot de kennis van wat je in werkelijkheid bent (Atmananda 2000: 41).

Hoewel ze universeel was, concentreerde haar leer zich niettemin op de oude hindoeïstische traditie, de sanātana dharma (de eeuwige religie). Afhankelijk van de situatie zou ze kunnen verwijzen naar de non-dualiteit van Advaita Vedānta, geformuleerd door de achtste-eeuwse monnik-filosoof Śaṅkara (Shankara) op basis van de Upaniṣads (Vedānta, geschriften die aan het einde van de Veda's komen); de gekwalificeerde non-dualiteit van Viśiṣṭādvaita Vedānta, geformuleerd door de theoloog Rāmānuja (ca. 1077-1157), eveneens gebaseerd op de Upaniṣads; of het dualisme (Dvaita) van bhakti. Ze gaf echter voorrang aan de monistische traditie van Advaita Vedānta. Volgens Ānandamayī Mā ligt de werkelijke bron van lijden (duḥkha) in de verkeerde perceptie van dualiteit. Ze bevestigde dat darśana, om te zien en gezien te worden door de godheid, de ware openbaring van het goddelijke (ātmadarśana), niet mogelijk is zolang er een 'ik' bestaat - 'je hebt geen echte darshan gehad zolang de' ik 'volhardt' (Atmananda 2000: 478).

Ānandamayī Mā drukte haar aanhankelijkheid aan de leer van non-dualiteit op andere manieren uit, zoals door naar zichzelf te verwijzen in de derde persoon. Ze noemde zichzelf vaak 'dit lichaam' (Bengaals, ehi śarira) of 'dit kleine meisje'. Tegen iemand die haar vroeg haar eigen ervaring te beschrijven, zei ze: “Het zou impliceren dat de ervaarder nog steeds is gebleven. Dit kan hier niet zo zijn ”(Anandamayi Ma 2001: 61). (Ze noemde zichzelf vaak de term 'hier'.)

Tijdens haar vele pelgrimstochten en omzwervingen, waarbij ze de non-dualiteit benadrukte, stond ze erop dat ze eeuwig aanwezig was bij haar toegewijden: 'Waarom zeg je dat ik wegga? Ik ben je kleine kind en ben altijd bij je ”(Atmananda 2000: 496). Ze verklaarde ook:

Misschien wil je dit lichaam uit je geest bannen. Maar dit lichaam zal je geen dag verlaten - het zal je gedachten nooit verlaten en zal dat ook nooit doen. Degene die ooit tot liefde voor dit lichaam is aangetrokken, zal er ondanks honderden pogingen nooit in slagen zijn indruk uit te wissen. Dit lichaam rust en zal voor altijd in het geheugen blijven (Ganguli 1983: 170).

Deze uitspraken onthullen het begrip van Ānandamayī Mā over haar alomtegenwoordigheid voorbij tijd en ruimte en voorbij dood (mṛtyu) en geboorte (jāti).

Hoewel Advaita Vedānta een referentiepunt zou blijven in haar filosofie, ging Ānandamayī Mā er eigenlijk bovenuit.

“Er bestaat een staat waar het onderscheid tussen dualiteit en non-dualiteit geen plaats heeft. . . . Maar waar het Brahman [onvoorwaardelijk bewustzijn] is, de Ene-zonder-een-seconde, kan er onmogelijk anders bestaan. Je scheidt dualiteit van non-dualiteit omdat je geïdentificeerd bent met het lichaam ”(Anandamayi Ma 2001: 123).

De kijk van Ānandamayī Mā was daarom een ​​allesomvattende visie op het leven, deze Ultieme Realiteit die ze omschreef als Yā tā, wat betekent: "Het is wat het is."

In dit opzicht laat Gopinath Kaviraj, haar discipel, zien dat advaitisch denken, dat inhoudt dat alles één is, in feite zelf onnauwkeurig is, in die zin dat zelfs de eenheid oplost wanneer de Ware wordt onthuld: 'Alles is één, het ene is alles. . En zelfs deze uitspraak is niet exact, want de Ware is daar waar de betekenis van de Eenheid niet langer bestaat ”(Desjardins 1982: 200). Ānandamayī Mā verwees ook naar het idee van totaliteit om de noodzaak uit te drukken om voorbij ideeën van dualiteit en non-dualiteit te bewegen: “Je zult boven bewustzijn en onbewustheid moeten uitstijgen. De openbaring daarvan is wat we willen ”(Anandamayi Ma 2001: 132). Geleerde van religie Raimon Panikkar suggereert dat de term "adualisme" in plaats van "non-dualisme" wordt gebruikt om deze conceptuele oppositie te elimineren (Panikkar 1998).

RITUELEN / PRAKTIJKEN

De postume aanbidding van Mnandamayī Mā wordt door toegewijden gezien als een manier om zichzelf te bevrijden van de onophoudelijke dood en wedergeboorte in de cyclus van saṃsāra, als een pad naar onsterfelijkheid. Het uiten van toewijding aan Ānandamayī Mā omvat gebed, bedevaart en verering van foto's en andere objecten.

Als iemand altijd tot Ānandamayī Mā mag bidden, zijn er niettemin bepaalde momenten van het jaar waarin het bijzonder nuttig is om tot haar te bidden. Dit zijn de grote vieringen zoals de geboortedag van Ānandamayī Mā, Gurupūrṇimā en de religieuze feestdag Durgā Pūjā. Deze festivals gaan vergezeld van andere jaarlijkse vieringen, zoals Mahāśivarātri, de nacht waarin Śiva's kosmische dans wordt gevierd; Holi, het vieren van de nederlaag van het kwaad door gerechtigheid; en Rakṣabandhan, een vrata (gelofte) wanneer zusters aanbidden om hun broers te beschermen; net zoals deelname aan retraites zoals de Samyam Saptah (geconcentreerde meditatie gedurende zeven dagen). Het was zo terwijl Ānandamayī Mā nog leefde, en het is nog steeds het geval.

Bedevaart is een ander ritueel dat toegewijden uitvoeren. Vanwege haar grote invloed op alle lagen van de Indiase samenleving, vertegenwoordigt Ānandamayī Mā ook een van de weinige hindoeïstische vrouwelijke goeroes die aanbeden wordt in een cultus bij haar graf [Afbeelding rechts] (samādhi), ondanks het feit dat graven van heilige vrouwen zijn vrijwel onbestaande in India. Met uitzondering van satī's (weduwen die zich naar verluidt hebben verbrand op de brandstapels van hun echtgenoot uit toewijding aan hun echtgenoten) is het aanbidden van een vrouw na haar dood uitzonderlijk. Omdat het lichaam van Ānandamayī Mā echter als puur en heilig werd beschouwd, wordt ze aanbeden bij haar graf in Kankhal. Haar relikwieën zijn een site geworden gewijd aan het Goddelijke Vrouwelijke, een soort śaktipīṭha, de zetel van Śaktī (de Godin en haar kracht).

Bovendien nemen foto's van Ānandamayī Mā ook een essentiële plaats in in haar aanbidding, [Afbeelding rechts] zowel onder vroege als hedendaagse volgelingen. Gedragen door toegewijden of in hun huizen geplaatst, lijken de afbeeldingen de aanwezigheid van Mā te reactiveren. Meer nog dan haar woorden of ooggetuigenverslagen van haar, zijn foto's van Ānandamayī Mā een essentiële manier om nieuwe toegewijden te mobiliseren. Een ander belangrijk element in haar cultus is de aanbidding door het brengen van offers aan afbeeldingen (mūrtis) van Ānandamayī Mā. Een klein aantal westerse toegewijden is echter enigszins afkerig van dit soort devotionele praktijken.

ORGANISATIE / LEIDERSCHAP

Ānandamayī Mā bracht een groot deel van haar leven door met het verplaatsen van de heilige ruimte naar de heilige ruimte. Om deze bewegingen te vergemakkelijken, richtten haar [Afbeelding rechts] toegewijden ashrams op in heel India, vooral in Noord-India. Er zijn vandaag zesentwintig ashrams, waarvan twee in Bangladesh. Hoewel ze deze ashrams nooit echt wilde hebben, koos ze toch hun locaties uit. Haar keuze van ashramlocaties is verre van onbeduidend, maar laat een uitgebreid netwerk van heilige geografie toe. Dit had zeker enige invloed op de ontwikkeling van de devotionele beweging gericht op de aanbidding van Ānandamayī Mā.

In 1950 werd de Shree Shree Anandamayee Sangha (de Śrī Śrī Ānandamayī-gemeenschap) opgericht, waardoor Ānandamayī Mā de eerste vrouw in India was die het hoofd werd van zo'n grote gestructureerde beweging. Hoewel het tegenwoordig gebruikelijk is dat vrouwelijke goeroes hun eigen organisaties oprichten en hun eigen ashrams hebben, was deze institutionalisering van de aanbidding van een vrouwelijke goeroe voor haar tijd ondenkbaar.

Binnen Ānandamayī Mā's sangha heersten en gelden nog steeds traditionele regels van zuiverheid, zoals de uitsluiting van menstruerende vrouwen of de regels met betrekking tot vervuiling die verband houden met het kastensysteem. Deze worden jhuta genoemd, of dat wat smerig en ongepast is, en worden al duizenden jaren door de brahmaanse orthodoxie in acht genomen, als een soort voorbereiding op het mystieke leven. Ānandamayī Mā nam deze orthodoxie over, die zowel door het soefisme en het boeddhisme als door het tantrische hindoeïsme werd betwist, na een ontmoeting met de pandit Kaviraj. In het begin volgde ze de zuiverheidsregels niet, maar er kwam steeds meer druk op haar om dat te doen. Uiteindelijk zei ze op een dag: "Wie vandaag komt, zal beslissen." Kaviraj arriveerde direct nadat ze haar verklaring had afgelegd en vertelde haar dat de kaste-regels moesten worden gehandhaafd in de Kālī Yuga, het tijdperk van achteruitgang in moraliteit, om een ​​barrière te vormen tegen immoraliteit. Hoewel ze voor deze regels koos, was ze niet gebonden aan een bepaald systeem, zoals ze altijd zei, Jo Ho Jay: "Wat er ook moet gebeuren, zal gebeuren." Desalniettemin zou het niet naleven van deze zuiverheidsregels dan een groot obstakel voor orthodoxe brahmanen hebben gevormd en hen hebben belet naar Ānandamayī Mā te komen (Lipsky 2005: 58; Atmananda 2000: 163).

In feite respecteerde Ānandamayī Mā deze zuiverheidsregels niet echt en stond zichzelf toe ze openlijk te overtreden. Haar Oostenrijkse toegewijde Brahmacharini Atmananda vertelt wat Ānandamayī Mā haar vertelde over deze regels: “Wat zijn deze regels voor mij? Ik heb de overblijfselen van een hond opgegeten ”(Atmananda 2000: 256). Haar persoonlijke overtreding van de regels van zuiverheid en onzuiverheid leek daarom een ​​manier om de autoriteit van Ānandamayī Mā als spiritueel leider te bevestigen, aangezien zij de enige persoon was die de macht had om de naleving van deze brahmaanse regels binnen haar gemeenschap toe te staan.

Deze strikte brahmaanse regels wogen echter op de meerderheid van de westerlingen, die zich uitgesloten konden voelen op grond van hun status als verschoppelingen of mleccha (buitenlanders). Ze moesten apart eten van indianen uit de hoge kaste en buiten de ashram worden gehuisvest, zodat hindoes, en vooral brahmanen, elk vervuilend contact met hen konden vermijden.

PROBLEMEN / UITDAGINGEN

Een van de grootste uitdagingen met betrekking tot Ānandamayī Mā en haar aanbidding is wat er na haar dood van haar beweging zou worden. De beweging is in verval geraakt sinds haar vertrek en de dood van haar naaste monniken. Deze vermindering lijkt significant verband te houden met de achteruitgang van de aangesloten instelling, de Shree Shree Anandamayee Sangha, oorspronkelijk opgericht om de leer van Ānandamayī Mā te promoten en te beschermen. Zoals in het geval van veel andere organisaties die zijn opgericht door charismatische leiders, zoals de Stichting SYDA van de International Society for Krishna Consciousnessis deze achteruitgang vooral te zien in machtsstrijd, zoals de keuze van een opvolger om de sangha te leiden of in de verdeling van gezag tussen leken en monniken. De dood van de charismatische grondlegger vormt dus tegelijkertijd een uitdaging van en voor institutionalisering (Miller 1991).

Er bestaan ​​ook enkele spanningen binnen de gemeenschap van Ānandamayī Mā met betrekking tot het behoud van brahmaanse regels. Deze regels, die door Brahmacharini Atmananda als onmenselijk werden beschreven, waren oorspronkelijk mogelijk een manier om de hindoeïstische traditie, de sanātana-dharma, nieuw leven in te blazen. In de geglobaliseerde wereld van vandaag, met de economische en sociale veranderingen die India doormaakt, vormen deze regels echter een groot obstakel voor de uitbreiding van de beweging van Ānandamayī Mā. De gehechtheid aan brahmaanse zuiverheidsregels door een klein aantal toegewijden binnen de Shree Shree Anandamayee Sangha weerspiegelt voor een groot aantal Indiase en westerse toegewijden iets dat potentiële toegewijden op afstand houdt.

De sangha van Ānandamayī Mā wordt dan verdeeld over twee facties. Aan de ene kant willen velen haar beweging uitbreiden, met name tot een internationaal publiek, wat noodzakelijkerwijs zowel het loslaten van de brahmaanse regels met betrekking tot het handhaven van de 'zuiverheid' van de traditioneel aangeduide 'zuivere' kasten en een breuk met de traditie vereist. van de charismatische stichter van de groep, het voorwerp van hun aanbidding en toewijding. Aan de andere kant verlangen sommigen het behoud van de brahmaanse orthodoxie, die onontkoombaar met uitsluiting gepaard gaat en de uitbreiding van de organisatie belemmert. De sangha van Ānandamayī Mā bevindt zich te midden van dit dilemma tussen 'authenticiteit' en 'vervuiling', tussen 'atrofie' en 'expansie'. De toekomst van haar beweging lijkt afhankelijk te zijn van het verzoenen van concurrerende belangen met de eisen van de Indiase moderniteit.

Concluderend, tijdens haar leven werd Ānandamayī Mā misschien wel de beroemdste vrouwelijke religieuze leider in India, met honderdduizenden volgers. Vanwege de omvang van haar invloed en haar dood in 1982, is Ānandamayī Mā een opmerkelijke illustratie van de postume aanbidding van een vrouwelijke hindoegoeroe, met zowel toegewijden die haar kenden als anderen die dat niet kenden.

Tijdens haar leven kwam Ānandamayī Mā naar voren als een figuur van breuk die, door middel van de perceptie van haar toegewijden van haar eenheid met het goddelijke, de voorwaarden van haar eigen heiligheid dicteerde en een zekere ontwrichting veroorzaakte van de typische genderrol voor de Indiase huisvrouw in verschillende belangrijke manieren. Haar zelfinitiatie en haar rol als vrouwelijke goeroe, evenals haar status van avatar ('afkomst', een incarnatie van God), als godin, in een patriarchale samenleving, plaatsten haar buiten een gevestigde, door mannen gedomineerde religieuze orde (Cornille 2004: 134). Haar spirituele positie onafhankelijk van haar echtgenoot en haar weigering om de traditionele huwelijksvormen aan te nemen door het ideaal van pativrata te volgen, waren transgressief. Haar hervormingen bevorderden de gelijkheid van vrouwen, zoals haar introductie van upanayana, de Vedische heilige draad overgangsrite als initiatie in de studentfase van het leven voor vrouwen uit de hoogste kaste, waardoor ze in aanmerking kwamen om Sanskriet en de Vedische geschriften te bestuderen. Ten slotte was de reikwijdte van haar religieuze beweging en haar indrukwekkende netwerk van ashrams in die tijd ongehoord voor een Indiase vrouw. Ondanks haar conservatieve neigingen met betrekking tot bepaalde aspecten van de Indiase cultuur, vooral met betrekking tot haar goedkeuring van het gearrangeerde huwelijk en haar niet-veroordeling van satī, kan deze ambassadeur van het hindoeïsme paradoxaal genoeg worden erkend als een charismatische figuur, die een radicale verandering in de Hindoeïstisch religieus landschap met betrekking tot vrouwelijke goeroes.

Vanwege haar verreikende invloed op de Indiase samenleving, is Ānandamayī Mā tegenwoordig het object van aanbidding bij haar graf, een praktijk die gewoonlijk is voorbehouden aan mannelijke goeroes en slechts een paar vrouwen, die worden aanbeden vanwege hun connectie met een mannelijke goeroe, bijvoorbeeld Sri Aurobindo (1872-1950) en De moeder (Mirra Blanche Rachel Alfassa (1878-1973). Ānandamayī Mā kan dus worden gezien als een iconische figuur van vrouwelijk religieus leiderschap, die een vernieuwende visie op heiligheid benadrukt door een nieuwe manier van verering van vrouwelijke goeroes te onthullen, die van verering van de leraar die wordt beschouwd als een levende aanwezigheid in haar graf.

Ānandamayī Mā vertegenwoordigt dus een verschuiving naar vrouwelijk leiderschap in de wereld van hindoeïstische goeroedom, [Afbeelding rechts] en haar graf, haar samādhi, is een symbool van de bevestiging van het Goddelijke Vrouwelijke. Met de groeiende acceptatie van de rol van goeroe voor vrouwen, is het waarschijnlijk dat we in de toekomst een veel grotere verering van vrouwelijke goeroes in hun respectievelijke graven zullen zien ontstaan ​​binnen de hindoeïstische traditie. Als zodanig vormt de studie van Ānandamayī Mā's leven en haar postmortale aanbidding een ware mijlpaal op het gebied van studie van vrouwen in religies.

AFBEELDINGEN

Afbeelding # 1: Nirmāla Sundari op jonge leeftijd.
Afbeelding # 2: Nirmāla Sundari met haar echtgenoot Shri Ramani Mohan Chakravarti (later Bholanāth genoemd, een naam voor Śiva, door Nirmāla Sundari).
Afbeelding # 3: Ānandamayī Mā.
Afbeelding # 4: Ānandamayī Mā met Indira Gandhi en haar vader, Jawaharlal Nehru, de eerste premier van India.
Afbeelding # 5: Tempel met de samādhi (tombe) van Ānandamayī Mā in Kankhal, Uttarakand, India.
Afbeelding # 6: Priester die naast Ānandamayī Mā's samādhi (tombe) staat terwijl hij āratī uitvoert, zwaaiend met lichten voor haar beeld (murtī).
Afbeelding # 7: een murtī, een afbeelding of standbeeld, van Ānandamayī Mā op een altaar dat ook haar foto bevat, een ingelijste afdruk met haar voetafdrukken en afbeeldingen met andere hindoegoden.
Afbeelding # 8: Ānandamayī Mā.
Afbeelding # 9: Ānandamayī Mā's zegen

REFERENTIES

Ānandamayī Mā. 2001. Woorden van Sri Anandamayi Ma. Vertaald door Atmananda. Kankhal: Shree Shree Anandamayee Sangha.

Atmananda. 2000. De dood moet sterven. De levenslange spirituele zoektocht van een westerse vrouw in India en de vervulling ervan door haar goeroe, Shree Anandamayee Ma, uitgegeven door Ram Alexander. Varanasi: Indica Books.

Aymard, Orianne. 2014. Wanneer een godin sterft: Mā Ānandamayī aanbidden na haar dood. New York: Oxford University Press.

Babb, Lawrence A. 1988. "Sathya Sai Baba's Saintly Play." Pp. 168-86 binnen Heiligen en deugden, uitgegeven door John Stratton Hawley. Berkeley: California University Press.

Bhaiji, uitg. 2004. Moeder zoals aan mij geopenbaard​ Kankhal: Shree Shree Anandamayee Sangha.

Cornille, Catherine. 2004. "Moeder Meera, Avatar." Pp. 129-47 binnen The Graceful Guru: Hindu Female Gurus in India en de Verenigde Staten, bewerkt door Karen Pechilis. New York: Oxford University Press.

Desjardins, Arnaud. 1982. Ashrams. Grands maîtres de l'Inde. Parijs: Albin Michel.

Ganguli, Anil. 1983. Anandamayi Ma: De vleesgeworden Moeder Bliss​ Calcutta: Eureka.

Hallstrom, Lisa L. 1999. Moeder van gelukzaligheid: Ānandamayī Mā (1896-1982). New York: Oxford University Press.

Kaviraj, Gopinath en Padma Vibhusana. 1967. "Moeder Anandamayi." In Moeder zoals gezien door haar toegewijden, uitgegeven door Gopinath Kaviraj. Varanasi: Shree Shree Anandamayee Sangha. Betreden vanaf https://www.anandamayi.org/books/masbhd.htm op 10 januari 2021.

Keyes, Charles F. 1982. "Charisma: van sociaal leven tot heilige biografie." Pp. 1-22 binnen Charisma en heilige biografie, uitgegeven door Michael A. Williams. Washington, DC: American Academy of Religion.

Kinsley, David. 1974. "'Through the Looking Glass': goddelijke waanzin in de hindoeïstische religieuze traditie." Geschiedenis van religies 13: 270-305.

Lipsky, Alexander. 2005. Leven en onderwijs van Śrī Ānandamayī Mā. Delhi: Motilal Banarsidass.

McDaniel, juni. 1989. De waanzin van de heiligen. Extatisch Religion in Bengalen. Chicago: University of Chicago Press.

Miller, Timoteüs, uitg. 1991. Wanneer profeten sterven: het postcharismatische lot van nieuwe religieuze bewegingen. Albany: State University of New York Press.

Mukerji, Bithika. 2002. Mijn dagen met Sri Ma Anandamayi​ Varanasi: Indica Books.

Mukerji, Bithika. 1998. Leven en onderwijs van Sri Ma Anandamayi (A Bird on the Wing). Delhi: Sri Satguru-publicaties.

Panikkar, Raimon. 1998. L'Expérience de Dieu. Parijs: Albin Michel.

Pechilis, Karen. 2012. "De vrouwelijke goeroe: goeroe, geslacht en het pad van persoonlijke ervaring." Pp. 113-32 binnen The Guru in South Asia: New Interdisciplinary Perspectives, uitgegeven door Jacob Copeman en Aya Ikegame. New York: Routledge.         

Vijayananda, Swami. 1997. Un Français in l'Himalaya: Itinéraire avec Mâ Ananda Môyî​ Lyon: Terre du Ciel.

Warrier, Maya. 2005. Hindu Selves in a Modern World: Guru Faith in de Mata Amritanandamayi Mission​ New York: Routledge Curzon.

Publicatie datum:
13 januari 2021

Deel