Tanya Stabler Miller

Begijnen

 

BEGINT TIJDLIJN

1211: Jacob van Vitry verlaat Parijs voor de stad Oignies, waar hij de vrome leek Maria van Oignies (1177–1213) ontmoet en een hechte spirituele vriendschap ontwikkelt.

1213: Maria van Oignies stierf.

1215: Het vierde Concilie van Lateranen vond plaats.

1216 (juli): Jacob van Vitry vroeg en kreeg toestemming van paus Honorius III voor de mulieres religiosae (religieuze vrouwen) in het bisdom Luik, het koninkrijk Frankrijk en het Duitse rijk om samen te leven en een leven van kuisheid en gebed na te streven .

1216 (herfst): James van Vitry voltooide het Leven van Maria van Oignies, dat als model diende voor gemeenschappen van religieuze vrouwen in de regio.

1233: Paus Gregorius IX uitgegeven Gloriam virginalem, die de pauselijke bescherming uitbreidde tot "continentale maagden" in Duitsland en later in het bisdom Cambrai. Kort daarna werd het hofbegijnhof van Cambrai opgericht.

1234: Het Begijnhof Sint-Elisabeth in Gent wordt gesticht; het hofbegijnhof van Leuven werd in hetzelfde jaar opgericht.

1239: Het Begijnhof Sint-Elisabeth in Valenciennes wordt gesticht.

1240: James of Vitry stierf.

Ca. 1260: Het Begijnhof Sint-Katelijne in Parijs wordt gesticht.

1274: Tweede Concilie van Lyon hernieuwde het verbod van het Vierde Lateraans Concilie op de oprichting van nieuwe religieuze ordes.

1310: Marguerite Porete wordt berecht en geëxecuteerd.

1311: Het concilie van Vienne, waar kerkelijke functionarissen de begijnenstatus veroordeelden, vond plaats. Paus Clemens V vaardigde vervolgens twee anti-begijnende decreten uit (Cum de quibusdam als Advertentie nostrum)

1314: Paus Clemens V stierf.

1317: De Weense decreten tegen de begijnen, Cum de quibusdam als advertentie nostrum, werden afgerond en afgekondigd door paus Johannes XXII.

1320: paus Johannes XXII uitgegeven Cum de mulieribus, met als doel de beoogde doelstellingen van de Weense decreten te verduidelijken

1328: Bisschoppelijk onderzoek naar de begijnhoven van Noord-Frankrijk en de Lage Landen eindigde met een volledige vrijstelling van deze instellingen.

1370s-1390s: Gelokaliseerde, sporadische onderzoeken naar begijnen in Duitse steden leidden ertoe dat de term "begijn" in sommige streken werd vermeden. Niettemin bleven de gemeenschappen van vrome leken gedijen onder verschillende labels en voorkeuren.

1405: De begijnen werden verdreven uit de stad Basel.

1545–1563: het Concilie van Trente vindt plaats.

1566: Paus Pius V uitgegeven Circa pastoralis, waarbij wordt geëist dat alle religieuze vrouwen, van welke afkomst dan ook, zich strikt houden aan de regels.

1566: De Nederlandse opstand begint en ontketent een golf van beeldenstorm die begijnhoven in heel Nederland beschadigt of vernietigt.

1585: Er was een herstel van de Spaanse, katholieke heerschappij in de zuidelijke provincies van Nederland, wat leidde tot het herstel van de begijnhoven van de regio's.

1794: De annexatie van de Lage Landen door de Franse Republiek heeft geleid tot de confiscatie van de bezittingen van de begijnhoven.

1831: Het Koninkrijk België werd opgericht en er was een daaropvolgende heropleving van de belangstelling voor begijnhoven als symbolen van het Belgische erfgoed.

1998: Dertien hofbegijnhoven worden op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst.

2013: De laatste begijn, Marcella Pattyn, stierf op tweeënnegentigjarige leeftijd.

OPSCHRIFT / GROEP GESCHIEDENIS

De Begijnen hadden geen identificeerbare stichter of oorsprong en vormden nooit een erkende religieuze orde. In het begin van de dertiende eeuw verschenen begijnengemeenschappen, organisch en schijnbaar gelijktijdig, in verschillende delen van Noord-Europa, met name de Lage Landen, een regio omvat delen van het hedendaagse Noord-Frankrijk, België en Nederland (Simons 2001). [Afbeelding rechts] Een van de vroegste verschijningen van de term 'begijn', gevonden in de preken van de middeleeuwse geestelijke Jakobus van Vitry (ca. 1160 / 1170-1240), laat zien dat de term is ontstaan ​​als een van de vele beledigingen die naar vrouwen die zich afkeerden van het wereldse pad van het huwelijk en zich wijdden aan een leven van kuisheid en gebed. Geleerden geloven dat de term is afgeleid van de wortel 'bedelen', wat 'murmureren' betekent, wat suggereert dat het label aanvankelijk werd gebruikt om iemand van opzichtige, misschien zelfs irritante vroomheid te bespotten (Simons 2014). Een begijn was dus een vrouw die een vroomheid aan de dag legde die verder ging dan wat van gewone leken werd verwacht. Het was een identiteit die in veel opzichten evenzeer afhankelijk was van publieke erkenning als van zelfidentificatie.

Middeleeuwse geestelijken die probeerden te beschrijven en promoten wat zij beschouwden als een buitengewone uitstorting van spirituele expressie onder vrouwen, vermeden bewust de term begijn, vanwege de negatieve connotaties ervan, en gaven de voorkeur aan de ondubbelzinnig gunstige descriptor mulieres religiosae (religieuze vrouwen). Maar na verloop van tijd omarmden middeleeuwse waarnemers, en zelfs de vrouwen zelf, 'begijn' als een label dat een keuze aanduidde (overgebracht via kleding en waarneembaar gedrag) om een ​​leven van kuisheid en dienstbaarheid te leiden in de wereld buiten een religieuze orde, of individueel of in groepen gelijkgestemde vrouwen. Tegen het midden van de dertiende eeuw begonnen bijeenkomsten van vrome leken, met de hulp of druk van lokale seculiere en kerkelijke autoriteiten, hun gemeenschappen voor te stellen als formele instellingen, wat leidde tot de oprichting van honderden begijnhuizen of begijnhoven, waarvan vele die vandaag de dag nog als cultureel erfgoed bestaan ​​(McDonnell 1954; Simons 2001).

Er zijn meerdere redenen waarom vrouwen aangetrokken werden tot een zelfgestuurd religieus leven. Terwijl geleerden de aantrekkingskracht van de begijnoptie traditioneel toeschrijven aan een gebrek aan ruimte in kloosters of een gebrek aan huwelijksopties, erkent de recente wetenschap dat deze vrouwen werden bezield door dezelfde spirituele stromingen die mannen als St.Franciscus van Assisi inspireerden (overleden 1226). ). Hun verlangen was om Jezus en zijn apostelen na te volgen (de vita apostolica, dat wil zeggen, het apostolische leven) (Böhringer 2014). De context is hier de sleutel. In de loop van de twaalfde en dertiende eeuw werden sociaaleconomische ongelijkheden steeds meer zichtbaar in de groeiende steden van middeleeuws Europa. Tegelijkertijd inspireerden monastieke inspanningen om bestaande religieuze ordes te hervormen en de leken monastiek te maken middeleeuwse mensen ertoe om beter religieus onderwijs te eisen, met name in de vorm van prediking, en om manieren te vinden om hun spirituele aspiraties om te zetten in daden in de wereld (Grundmann 1995). Stedelijke armoede en ongelijkheid brachten middeleeuwse mannen en vrouwen ertoe liefdadigheid en dienstverlening als spirituele idealen te omarmen, wat leidde tot een 'liefdadigheidsrevolutie' in de dertiende eeuw toen honderden ziekenhuizen en leprosaria overal in het middeleeuwse Europa werden opgericht om zorg te bieden aan de armen en zieken. (Davis 2019). De vroegst gedocumenteerde begijnengemeenschappen waren vaak aangesloten bij, of kwamen voort uit, dergelijke instellingen (Simons 2001).

De begijnoptie was flexibel, dynamisch en reageerde op veranderende persoonlijke omstandigheden en politieke en sociale veranderingen (Miller 2014; Deane 2016). Begijnen legden eenvoudige, in tegenstelling tot plechtige, geloften van kuisheid af, waardoor vrouwen het begijnenleven op elk moment konden verlaten om te trouwen. Begijnen ook geen omsluiting in acht genomen, aangezien hun spirituele roeping sociaal georiënteerd was. [Afbeelding rechts] Ten slotte legden begijnen geen geloften van armoede af, hoewel velen armoede als een aspect van hun spiritualiteit beschouwden. Begijnengemeenschappen eisten niet dat bewoners afstand deden van hun persoonlijke bezittingen, waardoor vrouwen hun middelen konden gebruiken om zichzelf en anderen te onderhouden (De Moor 2014). De controle over eigendom gaf vrouwen ook de vrijheid om de gemeenschap te verlaten zonder significant verlies van persoonlijke investeringen. Deze aspecten van het begijnenleven verklaren de brede, blijvende aantrekkingskracht ervan, terwijl de vrouwen soms blootstaan ​​aan beschuldigingen van hypocrisie.

De eerste herkenbare gemeenschap van mulieres religiosae ontstond in het begin van de dertiende eeuw in het bisdom Luik en concentreerde zich op een charismastische vrouw die bekend stond als Maria van Oignies (1177–1213). Mary verwierf grote bekendheid dankzij de geestelijke James van Vitry, die, toen hij hoorde van de heilige reputatie van Maria, naar verluidt zijn studie in Parijs verliet om zich in Oignies te vestigen, waar hij een vaste canon werd in de plaatselijke Augustijner priorij van St.Nicolaas. In James kreeg Mary een invloedrijke geestelijke aanhanger die namens de mulieres religiosae in de regio een verzoekschrift zou indienen bij het pausdom. James van zijn kant gaf Maria de eer hem spirituele troost en inspiratie te geven en hem te helpen een betere prediker te worden (Coakley 2006). Niet lang na Mary's dood in 1213 schreef James Mary's leven, het werk opdragen aan de bisschop Fouke van Toulouse (ca.1155-1231), die naar Luik was gekomen nadat hij door ketters uit zijn bisdom was verbannen. De leven portretteerde Maria, evenals verschillende andere vrouwen in het bisdom, als modellen van orthodoxie, sacramentele toewijding en gehoorzaamheid aan de geestelijkheid in een tijd waarin ketters en andere dissidenten de vroomheid en het gezag van de kerkelijke hiërarchie in twijfel trokken (Elliott 2004) . Mary's leven, vastgelegd in James's goed verspreid leven en herdacht met een liturgisch ambt, lijkt gelijkgestemde vrouwen in het dicocese van Luik te hebben geïnspireerd om samen te komen in gemeenschappen gewijd aan werk en gebed (Simons 2014).

Terwijl James en enkele van zijn tijdgenoten de mulieres religiosae promootten als modellen van vroomheid, leidde het gebrek aan officiële privileges, bescherming en omsluiting van de vrouwen tot bezorgdheid over hun reputatie en fysieke veiligheid. Als reactie daarop werkten kerkelijke supporters om speciale pauselijke privileges te verkrijgen om de vrouwen in staat te stellen samen te komen in opzettelijke gemeenschappen gewijd aan werk en gebed (McDonnell 1954; Dor 1999). In 1216 meldde Jacob van Vitry in een brief aan zijn vrienden dat hij erin geslaagd was mondelinge toestemming te krijgen van paus Honorius III voor de mulieres religiosae van het bisdom Luik, evenals in Frankrijk en het Heilige Roomse Rijk, om samen te leven. en elkaar aanmoedigen in hun spirituele aspiraties. De officiële erkenning kwam in mei 1233, toen paus Gregorius IX de stier uitvaardigde Gloriam virginalem, die bescherming bood aan vrouwen, noemde hij maagdelijke continentes (continent maagden) in Duitsland. Vijf dagen later breidde de paus dezelfde bescherming uit tot de "maagden" van het bisdom Cambrai (Simons 2001). Aanzienlijk, Gloriam virginalem benadrukte de belofte van de vrouwen om kuisheid in acht te nemen, maar gebruikte de term begijn niet. Bovendien bood de stier geen duidelijke definitie of erkenning van de complexiteit van wat uiteindelijk bekend zou worden als de begijnenstatus, die evenveel weduwen aantrok als nooit-gehuwden en niet alleen een toewijding aan kuisheid inhield. Niettemin op basis van Gloriam viginalem, gaven religieuze en seculiere autoriteiten in steden in heel Noord-Frankrijk, België en Nederland formele goedkeuringen af ​​voor lokale bijeenkomsten van vrome leken, waarbij in veel gevallen officiële erkenning werd verleend aan reeds bestaande gemeenschappen. Het is veelbetekenend dat het rond deze tijd was dat lokale autoriteiten begonnen te verwijzen naar "begijnen" in charters en andere soorten juridische documenten, wat aantoont dat de term een ​​aanvaardbaar lokaal label was geworden voor vrome leken. Inderdaad, hoewel het nooit zijn negatieve connotaties verloor, was de term tegen het midden van de dertiende eeuw vrij routineus geworden in officiële documentatie over dergelijke gemeenschappen (Simons 2014).

Begijnen en andere boetegroepen kwamen onder de loep op het Tweede Concilie van Lyon (1274) toen kerkelijke functionarissen, die een reeks kwesties behandelden, het verbod van het Vierde Lateraans Concilie (1215) op het creëren van nieuwe religieuze ordes vernieuwden (Meer 2018). Natuurlijk hadden de begijnen nooit de status van een religieuze orde opgeëist, een punt waarvan lokale functionarissen dachten dat ze hun gemeenschappen vrijstelden van deze wetgeving. Desalniettemin klaagden de franciscaner monnik en theoloog Gilbert van Doornik (1200–1284) in een rapport aan paus Gregorius IX ter voorbereiding van het tweede concilie van Doornik (2007–XNUMX) specifiek over begijnen en merkten op dat zulke vrouwen belangrijke canonieke verschillen tussen 'religieuzen en leken' ontweken. , ”Aangezien ze leefden als nonnen of echtgenotes. Verder uitte Gilbert zijn bezorgdheid over de zelfgeleide spirituele praktijken van de begijnen, waarbij hij beweerde dat de vrouwen over foutieve vertalingen van de Schrift beschikten, waarvan hij beweerde dat ze die gemeenschappelijk lazen. Het is duidelijk dat terwijl de aanhangers van de begijnen de reputatie van de vrouwen voor wederzijds gebed en aansporing prezen, andere middeleeuwse geestelijken hun bezorgdheid uitten dat dergelijke activiteiten zouden kunnen leiden tot ketterij en leerstellige dwalingen (Miller XNUMX).

Ondanks de kritiek van Gilbert, werden begijnenkloosters en begijnhoven niet gedwongen om te ontbinden na het Tweede Concilie van Lyon, zelfs niet toen het Concilie andere onofficiële, boetegroepen beval om op te heffen. Toch bleef de begijnenoptie controversieel. Als een bewuste keuze om in de wereld te leven, maar op een manier die (effectief) de meeste leken overtrof of opviel (althans in vroomheid), trokken begijnen zowel afkeuring als bewondering aan. Sommige belijdende religieuzen waren beledigd door de coöptatie van de "religieuze" status zonder de verplichting aan een regel, terwijl sommige leden van de leken een hekel hadden aan de afwijzing van het huwelijk door de begijnen en hun vrijstelling van bepaalde belastingen. Omdat begijnen hun persoonlijke bezittingen mochten behouden of het begijnenleven mochten verlaten om te trouwen, trokken sommige waarnemers de oprechtheid van hun roeping in twijfel, waarbij ze suggereerden dat vrouwen het begijnenleven begonnen om huwelijk en familiale verantwoordelijkheden te vermijden of als dekmantel voor illegaal seksueel gedrag . Bovendien, aangezien begijnen een reputatie hadden opgebouwd als "religieuze vrouwen", werden ze vaak beschuldigd van spirituele trots en hypocrisie. Critici van de begijnen, zoals Willem van St. Amour (1200–1272) en Gilbert van Doornik, waarschuwden herhaaldelijk dat deze vrouwen de leken, met wie ze regelmatig contact hadden, op een dwaalspoor konden brengen (Miller 2014).

In 1311 kwamen kerkelijke functionarissen samen op een kerkenraad in Vienne om, naast verschillende andere kwesties, kwesties van ketterij en de begijnen te bespreken, en vaardigden uiteindelijk twee decreten uit. " Het eerste besluit, bekend als Cum de quibusdam mulieribus (Betreffende bepaalde vrouwen), die zich specifiek op de begijnenstatus richtte, beweerde dat begijnen twistten en predikten over de Drie-eenheid en de goddelijke essentie, waardoor ze anderen op een dwaalspoor brachten met hun heterodoxe opvattingen over de geloofsartikelen en de sacramenten. Vanwege deze vermeende activiteiten verklaarde het decreet dat de begijnenstatus "voor altijd verboden en volledig afgeschaft moest worden". Het tweede decreet, Advertentie nostrum, somde acht "fouten" op die naar verluidt werden omarmd door begijnen en hun mannelijke tegenhangers, bedelaars genaamd, die volgens het decreet een "afschuwelijke sekte" vormden. Specifiek, Advertentie nostrum beweerde dat de begijnen niet alleen gebonden waren aan bedelaars (een twijfelachtige claim), maar deel uitmaakten van een georganiseerde ketterse groep die geloofde dat de menselijke ziel zo volmaakt kon worden dat ze geen morele wet meer nodig had. Leuk vinden Cum de quibusdam, Advertentie nostrum veroordeelde de begijnenstatus, maar richtte zich specifiek op vrouwen en mannen in Duitse landen (Makowski 2005).

De dood van paus Clemens V in 1314 (p. 1305-1314) vertraagde de verspreiding van de Weense decreten, die in 1317 werden afgerond en uitgevaardigd door Clemens opvolger, paus Johannes XXII (p. 1316-1334). De Vienne-decreten zaaiden onmiddellijk verwarring en controverse bij seculiere en kerkelijke autoriteiten, aangezien het helemaal niet duidelijk was hoe ze van toepassing waren op de vrouwen in hun rechtsgebieden (Makowski 2005; Van Engen 2008; Miller 2014). De meest controversiële van de twee decreten was ongetwijfeld Cum de quibusdam, die lezen als een algemene veroordeling van de begijnenstatus voordat ze eindigen met een merkwaardige zogenaamde 'ontsnappingsclausule' die 'getrouwe vrouwen' toestaat 'eerlijk in hun woning' te leven, zonder te specificeren welke vrouwen als 'trouw' moeten worden beschouwd of hoe om deze vrouwen te onderscheiden van de beoogde doelstellingen van het decreet.

Sommige canonadvocaten voerden dat aan Cum de quibusdam toegepast op de bewoners van begijnenkloosters of begijnhoven en de ‘ontsnappingsclausule’ van toepassing op vrouwen die in hun eigen huis een kuis leven leiden (Makowski 2005). Deze interpretatie was in feite in tegenspraak met eerdere pogingen om van het verblijf in een begijnenklooster of begijnhof de onderscheidende factor te maken tussen echte begijnen en de onoprechte vrouwen die de begijnenstatus claimden zonder zich te onderwerpen aan een erkende gemeenschap. Om de zaken nog ingewikkelder te maken, herbergden middeleeuwse Europese steden een grote verscheidenheid aan charitatieve en boetvaardige lekengemeenschappen, waarvan sommige "begijnenachtig" leken in hun toewijding aan gebed en actieve dienst in de wereld (Böhringer 2014). Franciscaanse tertiarissen waren bijvoorbeeld vrome leken die bij de Franciscaanse Orde waren aangesloten. Hoewel tertiarissen, net als begijnen, geen plechtige kloostergeloften aflegden, volgden ze een door de paus goedgekeurde regel, die van de Derde Orde van Sint Franciscus, dus tertiair. Vanwege overeenkomsten in hun manier van leven en kleding (beide groepen droegen eenvoudige gewoonten), werden tertiairen echter vaak verward of verward met begijnen. Inderdaad, veel begijnen, die geloofden dat ze aan de veroordeling konden ontsnappen door een door de paus goedgekeurde regel te volgen, reageerden op de veroordelingen in Wenen door tertiair te worden (Simons 2001).

In augustus 1318 vaardigde paus Johannes XXII de bul uit Verhouding recta, die een aantal richtlijnen probeerde te geven voor kerkelijke autoriteiten die belast waren met de taak om onderscheid te maken tussen de 'slechte' begijnen waarop de Weense decreten gericht waren en de 'goede' begijnen die in Cum de quibusdam's zogenaamde ontsnappingsclausule. Niettemin, Verhouding recta, zoals Cum de quibusdam, liet veel ruimte over voor negatieve en tegenstrijdige interpretaties. In het bijzonder drong het decreet er bij de lokale autoriteiten op aan om geen "eerlijke" begijnen lastig te vallen; de paus hield echter vol dat deze richtlijn op geen enkele manier aangaf dat hij goedgekeurd het begijnlandgoed, noch trachtte het in tegenspraak te zijn met eerdere uitspraken waarin de begijnenstatus werd veroordeeld. Zo zette Johannes XXII de traditie van het pausdom voort van het afgeven van vrijblijvende verklaringen die alleen dienden om het gebrek aan officiële goedkeuring van de begijnen te benadrukken, waardoor de deur in feite open bleef staan ​​voor voortdurende intimidatie van religieuze leken, hoe ze ook heten (Makowski 2005; Van Engen 2008).

In de jaren na de publicatie van de Weense decreten, aarzelden bisschoppen met grote populaties begijnen om deze wetgeving toe te passen uit onzekerheid of de decreten al dan niet van toepassing waren op "hun" begijnen. Ondertussen riepen lokale autoriteiten in verschillende steden de decreten in om de eigendommen van de begijnhoven in beslag te nemen of om de vrouwen onder druk te zetten om de derde regel van Sint Franciscus over te nemen. Ten slotte probeerde paus Johannes XXII in december 1320 verdere opheldering te verschaffen over de begijnstatus, door Cum de mulieribus aan bisschoppen in Doornik, Cambrai en Parijs. Erkennend dat 'eerlijke' begijnen samen kunnen wonen in begijnhoven of begijnenkloosters, Cum de mulieribus trachtte de impasse tussen bisschoppen en seculiere autoriteiten op te lossen door de bisschoppen de opdracht te geven de begijnenhuizen in hun respectievelijke bisdommen te onderzoeken, hetzij zelf, hetzij via hun vertegenwoordigers, om er zeker van te zijn dat de vrouwen niet betrokken waren bij ongeoorloofde discussies of doctrines (Van Engen 2008).

De interpretatie en handhaving van de Weense decreten kwamen uiteindelijk neer op de lokale houding (van bisschoppen, seculiere autoriteiten en geestelijken, zowel seculier als religieus) ten opzichte van broeders, begijnen en tertiarissen. Bisschoppelijke onderzoeken duurden tot ongeveer 1328 en leidden uiteindelijk tot de vrijlating van de vrouwen die in begijnenkloosters en begijnhoven in de Lage Landen en Noord-Frankrijk woonden. De begijnhoven van de Zuidelijke Nederlanden maakten lange tijd deel uit van het sociale en stedelijke weefsel en de lokale autoriteiten ondersteunden vooral hun voortbestaan ​​(Simons 2001). Gedurende de veertiende en tot in de vijftiende eeuw bleven de begijnhoven van het hof in steden als Brussel, Gent, Mechelen en Luik honderden vrouwen huisvesten die nog steeds, vrij ongegeneerd, bekend stonden als 'begijnen'. Inderdaad, de meeste begijnengemeenschappen in Europa waren in staat zich aan te passen aan en aan te passen aan de plaatselijke druk en omstandigheden, tot ver in de vroegmoderne tijd.

Desalniettemin leidden de onderzoeken in sommige gebieden tot een vernauwing van de opties voor vrome leken, aangezien lokale functionarissen de crisis gebruikten om begijnengemeenschappen te regulariseren, waardoor ze meer op traditionele kloosterhuizen leken en vrouwen werden verboden. buiten van een begijnenklooster of begijnhof uit het leven als begijnen. Veel begijnhoven hebben hun huisregels zo herzien dat de bewegingsvrijheid van de begijnen werd beperkt en het administratieve toezicht werd versterkt. Het Groot Begijnhof van Parijs wijzigde zijn statuten, waardoor de toezichthoudende rol van de lokale dominicaan-prior werd versterkt (Miller 2014). De Groot Begijnhoven van Brussel en Mechelen begonnen de bewoners te verplichten om de gelofte af te leggen (More 2018).

Elders grepen lokale functionarissen onduidelijkheden in de Vienne-decreten aan om specifieke facties of doelen te bevorderen of te ondermijnen. In sommige Duitse steden diende de begijnenstatus als een handig vlampunt in verhitte debatten over hervormingen, armoede en de toelaatbaarheid van lekenbedeling (Deane 2014). Hoewel veel begijnen op de Weense decreten reageerden door zichzelf tertiair te noemen en hun band met lokale franciscaner monniken aan te halen, wisten politieke krachten soms de relatieve voordelen van het ene label boven het andere uit. Aan het einde van de veertiende eeuw gebruikten tegenstanders van franciscaner monniken in Bazel anti-begijnenwetgeving om lokale tertiarissen aan te vallen, wat de broeders van de stad ertoe aanzette in te grijpen namens de tertiarissen. De verdediging van de broeders benadrukte dat de tertiarissen een door de paus goedgekeurde regel volgden en dus heel anders waren dan de niet-aangesloten begijnengemeenschappen. Dergelijke inspanningen lieten de overgebleven begijnengemeenschappen van Basel weerloos en kwetsbaar achter, aangezien de verdediging van de broeders berustte op het identificeren van deze groepen als de legitieme doelen van de Weense decreten. Tegen 1405 waren de begijnen definitief uit Bazel verdreven (Bailey 2003).

Gedurende de veertiende tot en met de vijftiende eeuw richtten inquisiteurs zich af en toe op begijnen in Duitse steden en beschuldigden vrome leken ervan antinomiaanse overtuigingen te koesteren, overtuigingen dat het Weense decreet Advertentie nostrum zonder bewijs toegeschreven aan alle begijnen en bedelaars (McDonnell 1954; Lerner 1972; Kieckhefer 1979). Deze incidenten werden gedreven door lokale spanningen, met name conflicten tussen mannelijke klerikale facties, die vaak gericht waren op de pastorale relaties van mannen met religieuze leken. In sommige gebieden lieten de vrouwen de naam gewoon vallen en noemden ze zichzelf spirituele zusters (geistliche schwestern) of kluizenaars (klausnerinnen) terwijl ze nog steeds leefden zoals ze daarvoor hadden (Deane 2014).

Begijnengemeenschappen kwamen in de vijftiende eeuw opnieuw onder de loep toen administratieve en seculiere autoriteiten, gevormd door de nadruk van de Observant-beweging op hervorming en vernieuwing, opnieuw probeerden monastieke discipline op te leggen aan alle religieuze vrouwen, ongeacht hun afkomst en canonieke status (Meer 2018). Meestal geassocieerd met de bedelorden, was de Observant-beweging een brede hervormingsbeweging die werd aangedreven en gevormd door een reeks groepen en instellingen. Deze oproepen tot religieuze vernieuwing speelden in heel Europa anders af, afhankelijk van de lokale politieke context. Net als in de veertiende eeuw namen sommige begijnengemeenschappen de tertiaire regels van Augustinus of Franciscaan over, terwijl ze bleven leven en werken zoals voorheen. In Parijs onderging het koninklijk begijnhof echter hongersnood, oorlog en de politieke omwentelingen van de veertiende en vijftiende eeuw, om vervolgens onder de druk van de Observant-beweging op te lossen. Onder verwijzing naar het feit dat er slechts twee personen in het koninklijk begijnhof bleven, besloot de Franse koning Lodewijk XI (omstreeks 1461-1483) in 1471 de gebouwen over te dragen aan een groep franciscaner tertiairs. In 1485 huisvestte het complex echter een gemeenschap van Observant Poor Clares (Miller 2014).

In de nasleep van de protestantse reformatie en het concilie van Trente (1545-1563) richtte de katholieke kerk zich opnieuw op kwesties van discipline in de religieuze gemeenschappen van vrouwen, in het bijzonder omsluiting. Net als in het verleden verzetten begijnengemeenschappen zich tegen omsluiting door een beroep te doen op hun niet-canonieke status. Niettemin gaf paus Pius V (p. 1566-1566) in 1572 de bul uit Circa pastoralis, die erop stond dat alle religieuze vrouwengemeenschappen, zonder uitzondering, strikte regels in acht namen (Meer 2018). Toch bleven de sociale rollen die vrome vrouwen speelden in steden en dorpen in heel Europa, met name op het gebied van onderwijs, ziekenhuiswerk en liefdadigheidswerk aan de armen, een enorme waarde hebben. Vrouwen die tot dit werk werden geroepen, konden zich dus niet langer als 'religieus' identificeren, aangezien een dergelijke status na Trente een strikte omsluiting vereiste en dus het opgeven van actieve dienst in de wereld. De vrouwen benadrukten hun lekenstatus en vormden vrome lekengemeenschappen zoals de Ursulines en de Dévots (Rapley 1990). Aldus bleven deze vrome leken, terwijl ze de naam "begijn" vergoten, een leven van gebed en dienstbaarheid in de wereld leiden, net als vóór Trente.

Begijnen en begijnhoven bleven tot in de vroegmoderne tijd een kenmerk van het stadsleven in de Lage Landen, zelfs toen de protestantse reformatie en de Nederlandse opstand van de zestiende eeuw veel van de hofbegijnhoven van de regio verwoestten (Moran 2010). In 1585, met het herstel van de Spaanse, katholieke heerschappij in de zuidelijke provincies (het noorden bleef onafhankelijk en protestants), werden enkele begijnengemeenschappen hersteld, maar onder strengere kerkelijke controle. Net als in de dertiende eeuw promootten plaatselijke geestelijken tijdens de contrareformatieperiode begijnen als modellen voor de leken en assistenten bij de contrareformatie-inspanningen van de kerk. De bisschoppen verhoogden ook hun bezoekinspanningen en legden de nadruk op strakkere discipline, omslotenheid en het aannemen van strengere regels. De wens om begijnen te presenteren als een orde-achtige groep qua uiterlijk, zo niet in canonieke realiteit, leidde ook tot de creatie van een fictieve geschiedenis, compleet met een verzonnen stichter van de begijnen: St. Begga (Moran 2010; More 2018). [Afbeelding rechts] Begga, geboren in het begin van de zevende eeuw, was de dochter van Pepijn de Oude. Bij de dood van haar echtgenoot stichtte Begga een klooster in Andenne, waar ze in 691 als abdis stierf. Hoewel ze duidelijk helemaal niets met de begijnengeschiedenis te maken had, maakte Begga's naam en heilige status haar tot een onweerstaanbare fictieve stichteres voor een even fictieve 'begijnenorde'. ”In de zestiende eeuw (Meer 2018). De oprichting van een stichteres en "orde van begijnen" bevorderde de mythe dat begijnengemeenschappen op verschillende plaatsen (gemeenschappen met zeer verschillende geschiedenissen) een gemeenschappelijke institutionele identiteit hadden.

De hofbegijnhoven van de zuidelijke Nederlanden kenden opnieuw een grote achteruitgang met de annexatie van de regio door de Franse Republiek in 1794, waarop de gebouwen werden geseculariseerd en overgenomen door de staat. In 1830, met de oprichting van het Koninkrijk België, wekte de nationalistische trots een hernieuwde belangstelling voor begijnhoven en hun geschiedenis. Zeventien begijnhoven overleefden tot in de twintigste eeuw, waaronder Saint Catherine's in Breda, Sint-Katelijneplein in Mechelen en Sint-Elisabeth in Gent. In 1998 werden dertien hofbegijnhoven op de Werelderfgoedlijst van UNESCO geplaatst. In 2013 stierf de laatste begijn, Marcella Pattyn, [Afbeelding rechts] op tweeënnegentigjarige leeftijd.

DOCTRINES / OVERTUIGINGEN

Hoewel ze soms beschuldigd werden van ketterse overtuigingen en leerstellige dwalingen, volgden begijnen de rooms-katholieke tradities en stonden ze vooral bekend om hun sacramentele vroomheid (Elliott 2004). Begijnen legden persoonlijke, informele geloften van kuisheid af en voerden een leven van contemplatief gebed en actieve dienst in de wereld. Hoewel vrouwen niet mochten prediken, namen ze het op zich om hun geestelijke roeping op andere manieren na te streven, namelijk zorgen voor de armen en zieken, geestelijke aanmoediging of vermaning van hun naasten, en handenarbeid. Zo maakten begijnen met hun kleding en gedrag publiekelijk aanspraak op een apart leven (in de zin van een apart, zelfs superieur religieus leven leiden) onder hun medechristenen (Van Engen 2008).

Klerikaal geschreven beschrijvingen van de spiritualiteit van de begijnen benadrukken hun orthodoxie, sacramentele vroomheid (in het bijzonder hun toewijding aan belijdenis, boetedoening en gemeenschap), en hun toewijding aan kuisheid en dienstbaarheid. Geestelijken presenteerden de openbare diensten van begijnen vaak in religieuze termen, waarbij ze de nadruk legden op gebed, lichamelijk lijden en gehoorzaamheid aan de kerkelijke hiërarchie in hun beschrijvingen en verdedigingen van deze vrouwen (Caciola 2003; Elliott 2004). De tegenstanders van de begijnen, vooral in de veertiende eeuw, beweerden echter dat begijnen anti-sacerdotale en antinomiaanse opvattingen hadden (McDonnell 1954; Lerner 1972). In het bijzonder het decreet van Vienne Advertentie nostrum beweerden dat begijnen, samen met hun mannelijke tegenhangers, bedelaars, geloofden dat de ziel een staat van perfectie kon bereiken die elke noodzaak van de sacramenten en morele wetten van de kerk overbodig maakte. Er is echter geen bewijs dat deze ideeën of overtuigingen typerend waren voor begijnen, die vanwege hun onofficiële status vaak als pionnen en zondebokken werden gebruikt in lokale politieke conflicten en religieuze controverses (Lerner 1972; Deane 2014; Miller 2014).

RITUELEN / PRAKTIJKEN 

De begijnen in de middeleeuwse begijnhoven en kloosters van Europa stonden erom bekend actieve dienst te combineren met contemplatief gebed. Hoewel de statuten van begijnenkloosters en -huizen, vooral in de latere eeuwen van de begijnengeschiedenis, de nadruk legden op kloosterroutines, was de roeping van de begijnen om namens anderen actief te zijn in de wereld. Sommige begijnhoven verplichtten hun bewoners om dagelijks de mis bij te wonen en een monastieke routine van gebeden en wake te observeren (Simons 2001; Moran 2010; Miller 2014). In sommige gemeenschappen leidden begijnen voorlezingen uit de psalmen of andere teksten die geschikt waren voor bepaalde feestdagen. Koren van begijnen, soms opgevoed en getraind in muziek op de school van het begijnhof, zongen gezangen teksten (antifonen en responsories) eigen aan het goddelijke ambt. Van leden van het begijnhofkoor was ook bekend dat ze waken hielden voor beschermheren of overleden begijnen. Begijnen leerden schoolkinderen, verzorgden de zieken, begroeven de doden, spoorden hun medechristenen aan om naar de mis te gaan en de sacramenten te ontvangen. Inderdaad, spirituele en materiële dienstverlening aan anderen was een bepalend kenmerk van het begijnenleven, dat ten dele de blijvende populariteit ervan in middeleeuwse steden verklaart (Simons 2001; Miller 2014; Deane 2016).

ORGANISATIE / LEIDERSCHAP 

Begijnengemeenschappen ontstonden relatief gelijktijdig in verschillende vormen (kleine huishoudens, kloosters of begijnhoven) (Simons 2001). Hoewel begijnen in verschillende regio's een vergelijkbaar leven van gebed en dienst hadden, was er geen begijn bestellen en geen enkel begijnenhuis of begijnhof claimde leiderschap of zelfs maar een band met andere begijnengemeenschappen. Omdat begijnen pastorale zorg nodig hadden, ontwikkelden ze banden met plaatselijke pastoors, broeders en monniken, maar weinig gemeenschappen ontwikkelden exclusieve relaties met een bepaalde orde.

Niettemin ondergingen begijnengemeenschappen in de loop van de tijd een proces van institutionalisering, waarbij ze kenmerken ontwikkelden die leken op officiële kloosterhuizen. Lokale autoriteiten in heel Noord-Europa erkenden de spirituele en sociale voordelen van de informele bijeenkomsten van vrome leken die in hun steden opkwamen, en boden vaak materiële steun en wettelijke privileges waardoor ze konden samenvloeien tot permanente instellingen. Deze instellingen varieerden van kleine woningen verbonden aan ziekenhuizen, tot kleine huizen van een dozijn of meer vrouwen (vaak begijnenkloosters genoemd) tot grotere, ommuurde complexen, begijnhoven genaamd (of begijnhoven). Architectonisch gezien was het begijnhof een materiële manifestatie van de complexiteit van het begijnenleven, dat vrouwen met verschillende sociaaleconomische achtergronden en motivaties aantrok, die als toevluchtsoorden voor de spiritueel geïnspireerde toevluchtsoorden voor ongehuwden en pensioengemeenschappen voor ouderen (Ziegler 1987; Simons 2001; Moran 2010; Miller 2014). De begijnhoven van het hof [Afbeelding rechts] hadden de neiging om rond een binnenplaats te centreren en bevatten individuele woningen voor rijkere begijnen en gemeenschappelijke slaapzalen voor vrouwen met meer bescheiden middelen. Begijnhofmuren en kapellen maakten de begijnen overbodig om zich te mengen met de bredere leken, waardoor de bezorgdheid over de veiligheid en reputatie van de vrouwen werd weggenomen. Toch bevonden begijnhoven zich meestal in de buurt van stadspoorten of hoofdstraten, wat de sociaal georiënteerde dienstverlening van de begijnen weerspiegelde. In sommige streken vormde het plaatselijke begijnhof een stad in een stad en bood het onderdak aan honderden vrouwen. Verscheidene verzekerden zelfs onafhankelijke parochiale rechten (dat wil zeggen privileges) vanwege een kerkparochie. Als herkenbare religieuze vrouwen hadden begijnen betrouwbare pastorale zorg nodig en lokale religieuze en seculiere autoriteiten hielpen de weg te effenen door te onderhandelen over overeenkomsten met geestelijken en bemiddelende conflicten (vooral tussen broeders en seculiere geestelijken) over parochiale rechten (Miller 2014). Begijnhoven hadden meestal hun eigen priesters en aalmoezeniers om missen te houden, biecht te horen en preken te prediken. Zo leken begijnhoven te voldoen aan het 'religieuze' en contemplatieve aspect van het begijnenleven. Inderdaad, toelatingscriteria, regels en muren regulariseerden en monasticeerden wat oorspronkelijk een spontane bijeenkomst van vrome leken was. Toch waren begijnen geen nonnen. In tegenstelling tot kloosters gaven begijnengemeenschappen hun bewoners de bewegingsvrijheid die nodig was om gewaardeerde sociale diensten te verlenen, waaronder de zorg voor zieken, stervenden en doden. Bijgevolg waren begijnhoven noodzakelijkerwijs tamelijk poreus en trokken ze lekenmecenassen en aanhangers aan, evenals administratieve bezoekers. De bewoners werden eveneens uit de omheining gehaald om spirituele vriendschappen met administratieve adviseurs te koesteren, eigendomsonderhandelingen te voeren met familieleden en zakenpartners en om spirituele en sociale verplichtingen na te komen. Begijnhoven waren dus, net als hun bewoners, beide zichtbaar verschillend als grondig ingebed in het stedelijk landschap (Simons 2001; Miller 2014).

Begijnenkloosters en begijnhoven vestigden begijnen in feite als een herkenbare (zo niet officiële) religieuze gemeenschap. Inderdaad, het bestaan ​​van begijnenhuizen in Noord-Europese steden maakte het lokale begrip ingewikkeld van wat het voor een vrouw betekende om als begijn te identificeren (of te worden bestempeld) als een begijn (Miller 2007). Begijnhoven, met hun regels, muren en zorgvuldig gecontroleerde toelatingscriteria, vervaagden het onderscheid tussen begijnen en nonnen (Meer 2018). Tegen het midden van de dertiende eeuw begonnen de lokale autoriteiten in veel steden en dorpen het begijnenklooster of begijnhof te beschouwen als de enige aanvaardbare context voor vrome leken, met het argument dat degenen die niet bij dergelijke huizen waren aangesloten, helemaal niet als begijnen moesten worden beschouwd, maar eerder als onoprechte of onvoldoende vrome vrouwen die het begijnenleven gebruikten als dekmantel voor immoreel gedrag (McDonnell 1954).

Individuele begijnenkloosters en begijnhoven werden meestal geleid door een magistra (minnares), die binnen de gemeenschap ruime bevoegdheden had. De magistra hield doorgaans de financiën van de gemeenschap bij, zat de toelatingsbeslissingen voor, adviseerde de religieuze en seculiere directeuren van het begijnhof over de voorschriften voor de bewoners en voorzag de vrouwen van religieus onderricht (Simons 2001; Moran 2010 en 2018; Miller 2014). In de Lage Landen kreeg de prior van de plaatselijke dominicaanse orde vaak de taak als geestelijk leidsman van het begijnhof te dienen. In Brugge bijvoorbeeld hielp de prior van de dominicaanse orde de minnares van het begijnhof bij het benoemen van de aalmoezenier. In Gent benoemde de dominicaan de minnares van het begijnhof en de aalmoezeniers die de gemeenschap dienden. In Rijsel benoemden pastoors de pastoors de aalmoezeniers van het begijnhof. Op verschillende punten in de geschiedenis van de begijnen, vooral in tijden van hervormingen of religieus conflict, probeerden de lokale autoriteiten het religieuze en / of seculiere toezicht op begijnengemeenschappen te vergroten (McDonnell 1954; Simons 2001; Galloway 1998; Miller 2014.)

KWESTIES / UITDAGINGEN / BETEKENIS

Veel van wat we weten over begijnen is niet door de vrouwen zelf geschreven, maar door klerikale waarnemers, van wie sommigen hun vijandigheid toonden tegenover lekenreligiositeit, vooral onder vrouwen. Daarom moeten wetenschappers vertrouwen op door mannen geschreven, soms vijandige en vrouwonvriendelijke bronnen. Aanverwant, een van de grootste uitdagingen voor zowel middeleeuwse waarnemers als moderne wetenschappers is de gladde aard van de term 'begijn', die zowel een reeks gedragingen als het lidmaatschap van een erkende begijnengemeenschap zou kunnen aanduiden (Miller 2007; Deane 2008).

Volgens sommige middeleeuwse denkers, met name geestelijken, trotseerden begijnen de gendergerelateerde verwachtingen over vrouwelijke spiritualiteit door hun adoptie van een 'actief' religieus leven dat, door zijn aard, in het openbaar werd uitgevoerd. Omdat ze niet werden erkend als een religieuze orde, genoten begijnen geen officiële status en dienden ze als gemakkelijke doelen voor geestelijken die kritiek hadden op de proliferatie van religieuze levensstijlen in de dertiende eeuw. Verdedigers van het begijnenleven probeerden dus de kritiek te verzachten door de "onregelmatige" aspecten van de status te verdoezelen, fictieve geschiedenissen op te bouwen en kloosterachtige huizen voor de vrouwen op te richten (zoals begijnhoven). Toch bleef de begijnenidentiteit beschikbaar voor elke vrouw die haar wilde adopteren, wat leidde tot beschuldigingen van onoprechtheid en hypocrisie. Bovendien geloofden sommige religieuze waarnemers dat begijnen, als niet-gelieerde religieuze vrouwen, bijzonder geneigd waren om heterodoxe ideeën over te nemen en te verspreiden.

Bezorgdheid over "onregelmatige" begijnen leken bevestigd te worden door het leven en werk van Marguerite Porete (overleden in 1310). [Afbeelding rechts] Ergens in de vroege tot midden jaren negentig schreef Marguerite (een vrouw uit het bisdom Cambrai) een mystiek boek dat bekend staat als De spiegel van eenvoudige zielen. Het boek, geschreven in de Oudfranse volkstaal, beschrijft de vernietiging van de ziel, in het bijzonder haar afdaling in een staat van niets, of vereniging met God zonder onderscheid. Duidelijk populair in zijn tijd, De Spiegel veroorzaakte controverse in het begin van de veertiende eeuw om verschillende redenen. Ten eerste was het boek geschreven in het Frans in plaats van in het Latijn, de voorkeurstaal om te leren, en was het daarom toegankelijk voor een steeds beter geletterde leken. Ten tweede bevatte het boek uitspraken als 'een ziel die vernietigd is in de liefde van de schepper, zou en zou de natuur alles kunnen schenken wat ze verlangt', waarvan sommigen betekenden dat een ziel één met God kan worden en dat beweren dat het de Kerk, haar sacramenten of haar deugdencode niet nodig had. Hoewel dit waarschijnlijk niet de interpretatie was die Marguerite bedoelde met deze verklaring, vreesden lokale kerkelijke autoriteiten dat de leringen van het boek te gemakkelijk verkeerd werden geïnterpreteerd, vooral door de ongeletterden en theologisch ongekunsteld (Field 2012.)

Op basis van het boek zelf is het duidelijk dat Marguerite een opleiding had genoten en toegang had tot middelen, zoals perkament, schrijfbenodigdheden en misschien zelfs een schrijver. Ze had ook belangrijke klerikale aanhangers, onder wie drie mannen die voorzichtig hun goedkeuring gaven De Spiegel. Desalniettemin verklaarde de bisschop van Cambrai, Guido van Collemezzo (reg. 1296–1306), die weinig geduld schijnt te hebben gehad voor theologisch gedurfde leken, het boek van Marguerite tot ketters en beval dat het in Valenciennes openbaar zou worden verbrand, een feit dat suggereert dat dit was de stad waar Marguerite in die tijd woonde. Volgens de verslagen van haar proces deelde de bisschop Marguerite mee dat ze zou worden overgedragen aan wereldlijke autoriteiten als ze zou proberen haar ideeën mondeling of schriftelijk te verspreiden. Blijkbaar onverschrokken bleef Marguerite haar boek circuleren en kwam onder de aandacht van een andere bisschop, die haar eind 1308 naar Parijs stuurde om antwoord te geven aan de dominicaanse inquisiteur van Frankrijk, Willem van Parijs (overleden 1314). In Parijs bleef Marguerite achttien maanden onder huisarrest en weigerde mee te werken met de inquisiteur. Uiteindelijk zette William de zaak voort door het boek van Marguerite te berechten en bijna de hele theologische faculteit bijeen te brengen om de orthodoxie van het boek te beoordelen. Toen de universitaire meesters het boek unaniem als ketters verklaarden, maakten ze de weg vrij voor William om Marguerite ter dood te veroordelen. Op 31 mei verklaarde William Marguerite een "recidiverende ketter" en droeg haar over aan seculiere autoriteiten, die haar straf ten uitvoer brachten. De volgende dag, op 1 juni 1310, werd Marguerite Porete verbrand op de brandstapel op de Place de Grève in Parijs (Field 2012; Van Engen 2013).

Een andere uitdaging is hoe begijnen in de wetenschappelijke literatuur zijn afgebeeld. Tot voor kort hadden zowel wetenschappelijke als populaire geschiedenissen de neiging begijnen af ​​te schilderen als kwetsbare, meedogenloos vervolgde slachtoffers van een onderdrukkende, patriarchale kerk, of als subversieve proto-feministen die weigerden zich te conformeren aan sociale verwachtingen. In beide gevallen ligt de nadruk op hun marginaliteit. Deze historiografische neiging om religieuze vrouwen als slachtoffers of rebellen te bestempelen, is geworteld in een overmatig vertrouwen op prescriptieve bronnen, zoals de decreten van kerkenraden. Inderdaad, onder mediëvisten spelen begijnen het meest prominent in geschiedenissen van ketterij en religieuze deviantie, velden die noodzakelijkerwijs veroordelende kerkelijke decreten en inquisitoire archieven bevoorrechten (Deane 2008 en 2013). Bovendien komt het beeld van begijnen als marginale figuur goed overeen met moderne veronderstellingen over middeleeuwse vrouwen. Dat wil zeggen, de heersende aanname is dat vrouwen echtgenotes of nonnen waren. Daarom moeten begijnen vrouwen zijn geweest die niet trouwen of een klooster binnengaan (dus slachtoffers) of die beide subversief weigerden (rebellen). Geschiedenissen van de rooms-katholieke kerk brengen bovendien de toegenomen zichtbaarheid en deelname van vrouwen aan de kerk vaak in verband met mislukking, crisis of een "achteruitgang" voor mannen, waardoor begijnen worden geworpen als onderdeel van een oncontroleerbare en ongewenste golf van religieus enthousiasme die (uiteindelijk en onvermijdelijk) ingeperkt en geleid langs meer sociaal aanvaardbare kanalen (Grundmann 1995; Deane 2008).

Toch vonden begijnen op lokaal niveau veel steun van geestelijken, stedelijke autoriteiten en het bredere publiek. Begijnen waren belangrijke, gewaardeerde leden van hun gemeenschap. Zelfs toen ze vaak werden meegesleurd in debatten over religieuze armoede, beslotenheid en administratief gezag, pasten begijnengemeenschappen zich aan en pasten zich aan aan verschuivende verwachtingen over vrouwelijke spiritualiteit, veranderden ze vaak hun naam, wijzigden huisregels of zochten politiek machtige voorkeuren of beschermheren om door te gaan om een ​​leven van gebed en dienst te leiden. Bijgevolg kan het voor wetenschappers moeilijk zijn om over deze gemeenschappen te schrijven, aangezien de term "begijn" in en uit het documentaire verslag zweeft (Böhringer 2014).

De geschiedenis van de begijnen laat zien dat vrouwen, langer dan historici misschien hebben aangenomen, creatieve manieren hebben gevonden om samen te komen in opzettelijke gemeenschappen [Afbeelding rechts] en om ondanks patriarchale beperkingen een leven te leiden van dienstbaarheid en betrokkenheid bij de wereld. De begijnenoptie was praktisch, flexibel en dynamisch en weerspiegelde de sociaal-spirituele prioriteiten van middeleeuwse mensen. Deze gemeenschappen kregen weliswaar sporadische kritiek en zelfs vervolging, maar waren diep ingebed in de middeleeuwse samenleving als krachtpatsers van gebed, knooppunten in wijdverbreide spirituele netwerken en aanbieders van essentiële diensten. Vrome leken waren in staat om door cycli van kritiek en politieke verandering te navigeren vanwege hun diepe banden met hun families, lokale geestelijken en maatschappelijke autoriteiten. De geschiedenis van deze gemeenschappen kan worden hersteld door deze lokale contexten te onderzoeken, wat waardevolle nieuwe inzichten oplevert over de ervaringen van vrouwen "ter plaatse" die het bredere meesterverhaal van de middeleeuwse kerkgeschiedenis diep verrijken en vaak uitdagen. De begijnengeschiedenis illustreert bovendien de talloze manieren waarop vrouwengemeenschappen, zowel als symbolen als als groeperingen van levende vrouwen, centraal stonden in mannelijke strijd om politieke macht.

AFBEELDINGEN

Afbeelding 1: Jeanne Brichard, minnares van het begijnhof van Parijs (overleden 1312). Staatscourant voor Schone Kunsten, v.84.
Afbeelding 2: Begijn, van Des dodes dantz, gedrukt in Lübeck in 1489.
Afbeelding 3: Begijn op weg naar de kerk, Johann Friedrich Schannat, Begijn van Anvers, sur l'origine et le progrès de son Institut. Parijs, Girard, 1731.
Afbeelding 4: St. Begga, Joseph Geldolph Ryckel, Vita S. Beggae ducissae Brabantiae, (Leuven, 1631).
Afbeelding 5: Marcella Pattyn, de laatste begijn, ovl. 2013.
Afbeelding 6: Begijnhof Sint-Elisabeth, Kortrijk.
Afbeelding 7: Marguerite Porete, d. 1310.
Afbeelding 8: Begijnen werkzaam in het begijnhof in Gent, België, ca. 1910.

REFERENTIES 

Bailey, Michael D. 2003. Vecht tegen demonen: hekserij, ketterij en hervormingen in de late middeleeuwen​ University Park, PA: Penn State University Press.

Böhringer, Letha, Jennifer Kolpacoff Deane en Hildo van Engen, eds. 2014. Labels en Libels: het benoemen van begijnen in Noord-middeleeuws Europa. Turnhout: Brepols.

Caciola, Nancy. 2003. Onderscheidende geesten: goddelijke en demonische bezetenheid in de middeleeuwen. Ithaca, NY: Cornell University Press.

Coakley, John W. 2006. Vrouwen, mannen en spirituele kracht: vrouwelijke heiligen en hun mannelijke medewerkers. New York: Columbia University Press.

Davis, Adam. 2019. De middeleeuwse economie van redding: liefdadigheid, handel en de opkomst van het ziekenhuis. Ithaca, NY: Cornell University Press.

De Moor, Tine. 2014. “Single, veilig en sorry? Uitleg over de vroegmoderne begijnenbeweging in de Lage Landen. " Tijdschrift voor familiegeschiedenis 39: 3-21.

Deane, Jennifer Kolpacoff. 2008. "Beguines Reconsidered: Historiographical Problems and New Directions", Monastieke Matrix, Commentaria 3461. Betreden vanaf  http://monasticmatrix.org/commentaria/article.php?textId=3461 op 4 2020 september.

Deane, Jennifer Kolpacoff. 2016. "Elastic Institutions: Beguine Communities in Early Modern Germany." Pp. 175-195 binnen Vrome leken in de vroegmoderne wereld, bewerkt door Alison Weber. Londen: Routledge.

Deane, Jennifer Kolpacoff. 2014. "Van casestudy's tot vergelijkende modellen: begijnen van Würzburg en de Weense decreten." Pp. 53-82 binnen Labels en Libels: het benoemen van begijnen in Noord-middeleeuws Europa, uitgegeven door Letha Böhringer, Jennifer Kolpacoff Deane en Hildo van Engen. Turnhout: Brepols.

Deane, Jennifer Kolpacoff. 2013. “Hadden begijnen een laatmiddeleeuwse crisis? Historische modellen en historiografische martelaren. " Vroegmoderne vrouwen 8: 275-88.

Dor, Juliette, Lesley Johnson en Jocelyn Wogan-Browne, eds. 1999. Nieuwe trends in vrouwelijke spiritualiteit: de heilige vrouwen van Luik en hun botsing​ Turnhout: Brepols.

Elliott, Dyan. 2004. Bewijsende vrouw: vrouwelijke spiritualiteit en inquisitionele cultuur in de latere middeleeuwen. Princeton, NJ: Princeton University Press.

Veld, Sean L. 2012. De begijn, de engel en de inquisiteur: de beproevingen van Marguerite Porete en Guiard van Cressonesart. Notre Dame, IN: Universiteit van Notre Dame Press.

Galloway, Penelope. 1998. "De oorsprong, ontwikkeling en betekenis van de begijnengemeenschappen in Douai en Lille, 1200–1500." Ph.D. Proefschrift. Universiteit van Oxford.

Grundmann, Herbert. 1995. Religieuze bewegingen in de Middeleeuwen: de historische banden tussen ketterij, de bedelorden en de religieuze vrouwenbeweging in de twaalfde en dertiende eeuw, met de historische grondslagen van de Duitse mystiek. Vertaald door Steven Rowan. Notre Dame, IN: University of Notre Dame Press.

Kieckhefer, Richard. 1979. Onderdrukking van ketterij in het middeleeuwse Duitsland. Philadelphia: University of Pennsylvania Press.

Lerner, Robert. 1972. De ketterij van de vrije geest. Notre Dame, IN: Universiteit van Notre Dame Press.

Makowski, Elizabeth. 2005. "Een bijzondere vrouw ”: Quasi-religieuze vrouwen en canon Advocaten in de late middeleeuwen​ Washington, DC: Catholic University of America Press.

McDonnell, Ernest W. 1954 De begijnen en bedelaars in de middeleeuwse cultuur: met speciale nadruk op de Belgische scène. New Brunswick, NJ: Rutgers University Press.

Miller, Tanya Stabler. 2014. De begijnen van het middeleeuwse Parijs: Gender, Patronage en Spiritual Authority. Philadelphia: University of Pennsylvania Press.

Miller, Tanya Stabler. 2007. “Wat zit er in een naam? Administratieve vertegenwoordigingen van Parijse begijnen (1200-1328). Journal of middeleeuwse geschiedenis 33: 60-86.

Moran, Sarah Joan. 2018. "Vrouwen aan het werk: bestuur en financiële administratie bij de begijnhoven van het Hof van de Zuidelijke Nederlanden in de zeventiende en achttiende eeuw." Tijdschrift voor vroegmoderne geschiedenis 22: 67-95.

Moran, Sarah Joan. 2010. "Onconventionele vrouwen: religie, politiek en imago in de begijnhoven van het hof, 1585-1713." Ph.D. Proefschrift, Brown University.

Meer, Alison. 2018. Fictieve bestellingen en vrouwelijke religieuze identiteiten, 1200-1600. New York: Oxford University Press.

Rapley, Elizabeth. 1990. De toegewijden. Vrouwen en kerk in het zeventiende-eeuwse Frankrijk. Montréal: McGill-Queen's University Press.

Simons, Walter. 2001. Cities of Ladies: Begijnengemeenschappen in de Middeleeuwse Nederlanden, 1200-1565. Philadelphia: University of Pennsylvania Press.

Van Engen, Johannes. 2008. Zusters en broeders van het gemeenschappelijke leven: The Devotio Moderna en de wereld van de latere middeleeuwen. Philadelphia: University of Pennsylvania Press.

Van Engen, John. 2013. "Marguerite (Porete) van Henegouwen en de Middeleeuwse Lage Landen." Pp. 25-68 binnen Marguerite Porete et le Miroir des Simples Âmes: Perspectives Historiques, Philosophiques et Littéraires, egedateerd door Sean L. Field, Robert E. Lerner en Sylvain Piron. Parijs: Vrin.

Ziegler, Joanna E. 1987. "De Curtis-begijnhoven in de Zuidelijke Nederlanden en kunstpatronaat: interpretatie en geschiedschrijving." Bulletin de l'Institut historique belge de Rome 57: 31-70.

AANVULLENDE HULPBRONNEN

"Overlijdensbericht, Marcella Pattyn." 2013. The Economist, 27 april. Betreden vanaf  https://www.economist.com/obituary/2013/04/27/marcella-pattyn op 4 2020 september.

Vlaamse Begijnhoven. UNESCO Werelderfgoedcentrum. Betreden vanaf https://whc.unesco.org/en/list/855/ op 10 augustus 020.

Publicatie datum:
4 september 2020

Deel