Yu-Shuang Yao

Ci Ji (Tzu Chi)

CI JI TIMELINE

1937: De oprichter van Ci Ji (Tzu Chi) werd geboren als Wang Jinyun in Qinshui, Taizhong, Taiwan.

1938: Jinyun wordt weggegeven aan de familie van haar oom, die op dat moment kinderloos was.

1952: Toen Jinyun's moeder ziek was, zwoer Jinyun om vegetariër te worden en ontving de openbaring van Bodhisattva Guan Yin.

1960: Jinyun's vader stierf, en ze gaf zichzelf de schuld voor het slecht beheren van zijn medische hulp. \

1960: Jinyun voelde zich aangetrokken tot de plaatselijke boeddhistische tempel, Ciyun Si, waar ze Ven ontmoette. Xiudao, en begon te overwegen om een ​​boeddhistische non te worden.

1961: Jinyun ontsnapte met Xiudao uit huis en ging naar Hualian, in het oostelijke deel van Taiwan, waar ze twee jaar samen bleven. Xiucan werd gekozen als haar dharmanaam.

1963: Om haar zelfbeschikking te bevestigen, woonde Xiucan de jaarlijkse inauguratie van de Boeddhistische Vereniging van de Republiek China (dwz van Taiwan) (BAROC) bij. Daar ontmoette ze meester Yinshun, die ermee instemde haar tonsuurmeester te worden en haar een nieuwe dharmanaam gaf, Zhengyan (Chengyen).

1966: Ciji Gong der hui (The Buddhist Compassion and Merit Foundation) werd opgericht met vijf nonnen en dertig huisvrouwen.

1987: De lidmaatschapstitel van ere-beschermheer (榮譽 董事 róngyù dŏngshì) werd geïntroduceerd

1989: Het eerste hoofdstuk van de Buddhist CiJi Foundation, USA, bekend als Ci Ji USA, werd opgericht in Alhambra, Californië.

1990: De CiJi mannenvereniging, genaamd het Regiment van het Faith Corps (慈 誠 隊 cí-cén duì), werd formeel opgericht.

2008: CiJi krijgt de officiële status van non-profit organisatie (NPO) van de Volksrepubliek China, als de eerste (overzeese) NPO China.

OPSCHRIFT / GROEP GESCHIEDENIS

Fojao Ciji Gongde Hiì 佛教 慈濟 功德 會 (The Buddhist Compassion Merit Society (hierna: Ci Ji 慈濟 of, Tzu Chi)) is opgericht in 1966 in het afgelegen kustplaatsje Hualian 花蓮 in het oosten van Taiwan. De oprichter is een boeddhistische non bekend als Dharma Master Zhengyan (gebruikelijke alternatieve spelling: Chengyen). [Afbeelding rechts]

In de afgelopen veertig jaar heeft Ci Ji zich ontwikkeld van een medische liefdadigheidsorganisatie om de grootste lekenboeddhistische organisatie in Taiwan te worden, en beweert hij vestigingen te hebben gevestigd in vierenzeventig landen met 10.000,000-leden (huì-yuan, donor) wereldwijd. Een belangrijke recente focus van de beweging is milieubehoud, wat heeft geleid tot het bouwen van 5,000-recyclingcentra in Taiwan en daarbuiten.

Zhengyan's geboortenaam was Wang Jinyun 王錦雲, de jongste van drie dochters. Ze werd geadopteerd door een getrouwde tante, die toentertijd kinderloos was maar later vier kinderen kreeg. Jinyun verliet de school na de lagere school om haar adoptievader te helpen met zijn bedrijf, dat folkloristische theaters runde.

In 1952 werd haar adoptiemoeder erg ziek en Jinyun bad tot Guānyīn om haar gezondheid te herstellen. Ze bood aan om twaalf jaar van haar leven op te geven en vegetariër te worden als de ziekte van haar moeder was genezen. Drie nachten lang had ze een terugkerende droom, waarin haar moeder op een bamboepalet lag in een kleine boeddhistische tempel. Jinyun stond op het punt een medicijn te bereiden toen Guānyīn kwam en haar medicijnen gaf, die ze toen aan haar moeder gaf. De adoptiemoeder van Jinyun herstelde later volledig en Jinyun hield haar gelofte om een ​​boeddhistische vegetariër te worden (Jones 1996: 364). Dit verhaal is om twee redenen belangrijk. Eerste, Guānyīn werd het centrale icoon van Cí Jì. Ten tweede, de droom leidde Zhengyan later om een ​​tempel te bouwen in Hualian, de Pumensi(普明 寺), die ze in de droom had geïdentificeerd. Het spirituele hoofdkwartier van de beweging, [Afbeelding rechts] de 'Pure Abode of Still Thoughts' (靜思 精舍 Jingsi Jingshe), ligt ongeveer dertig meter van die tempel.

De gebeurtenis waardoor Jinyun het huis verliet, vond plaats in 1960. De adoptievader van Jinyun had een beroerte op zijn kantoor. Ze belde een auto om hem mee naar huis te nemen, maar hij stierf bij aankomst, en later kreeg ze te horen dat hij het had overleefd als ze hem niet had ontroerd. Jinyun was geschokt en wilde weten waar haar adoptievader heen was gegaan, en bezocht een lokaal spiritueel medium. Ze kreeg te horen dat haar vader in Wăngsĭchéng (枉死 城) was. In traditioneel geloof is dit de plek voor degenen die voortijdig zijn gestorven. Jinyun was duidelijk erg van streek door deze uitleg, en het was toen dat ze een boeddhistisch pamflet oppikte waarin ze las: "Wat ook onderworpen is aan geboorte is ook onderhevig aan vernietiging." Er was ook een verslag over de verdienste die door het uitvoeren van rituelen van berouw, en Jinyun werd geïnspireerd om het ritueel voor haar vader te houden in de lokale boeddhistische tempel, Ciyun Si. Jinyun voelde zich aangetrokken tot het boeddhisme en begon regelmatig de plaatselijke tempel te bezoeken. Ze was echter niet geïnspireerd door de traditionalistische houding van boeddhistische nonnen, die voorstander was van huishoudelijke rollen voor vrouwen. Ze dacht dat het gezinsleven niet het enige doel voor vrouwen zou moeten zijn, maar dat ze als mannen de mogelijkheid zouden moeten krijgen om te voldoen aan de behoeften van de bredere bevolking. Ze was in het geheim van plan om het huis te verlaten en een boeddhistische non te worden. In 1960 ontsnapte ze voor het eerst naar een klein klooster in Taibei (臺北), maar drie dagen later werd ze door haar adoptiemoeder gevonden en naar huis gebracht.

Jinyun keerde terug naar huis maar bleef de plaatselijke tempel bezoeken en werd vriendelijk met de nonnen, vooral met Ven. Xiudao 修道 (1919-2016, die niet alleen een goede vriend en metgezel werd, maar ook religieuze inspiratie en stimulatie gaf. Xiudao was opgeleid in Japan en ze was het oneens met enkele van de praktijken in Taiwanese boeddhistische tempels, die vertrouwden op hun onderhoud van de inkomsten uit geleverde diensten. Ze beweerde dat er binnen de tempelgemeenschappen sprake was van een gebrek aan disciplinering, wat volgens haar een slecht imago was en leidde tot een verlies van waardigheid voor het boeddhisme. Ze eiste dat Taiwanese boeddhistische tempels de volgorde herstellen van 百丈 清 規 (Bai-zhang Qing-guei), de klassieke Chinese boeddhistische monastieke orde gevormd door de Chan 禅 boeddhistische meester Baizhang Huaihai 百丈 懷 海 (720-814). Een van de belangrijkste principes van de bestelling was yīrì búzòo yīrì bùshí (一日 不做 一日 不 食 een dag zonder werk is een dag zonder voedsel). Xiudao's ideeën werden opgeslorpt door Jinyun, die beloofde dat ze, als ze ooit een non zou worden, de situatie zou veranderen en de waardigheid van boeddhistische priesters zou verhogen. Ze beloofde ook dat ze zou leven zonder steun van de leken te accepteren, in navolging van de discipline dat een dag zonder werk een dag zonder voedsel is.

Jinyun vertrok uiteindelijk naar huis en liep weg met Xiudao; vervolgens schoor ze zichzelf en werd een boeddhistische non, die de naam Xiucan aannam. Omdat haar ordening echter als privé en informeel werd beschouwd, moest ze nu formele erkenning zoeken bij de boeddhistische autoriteit, de BAROC, om een ​​formele administratieve status te verkrijgen. Om haar zelforganisatie te valideren, besloot ze om formele administratieve status te zoeken door deel te nemen aan de 1963 BAROC jaarlijkse inauguratie die zou plaatsvinden in Linji Si 臨濟 寺 in Taibei. Hoewel ze aanvankelijk de registratie zonder een tonsuur-meester werd geweigerd, ontmoette ze Ven toevallig. Yìnshun 印順 法師 (1906-2005), een zeer gerespecteerde boeddhistische meester en invloedrijke geleerde in Taiwan, die ermee instemde haar tonsuur-meester te zijn en Jinyun de nieuwe dharma-naam Zhengyan 證 嚴 gaf. Hij drong aan op: "Te allen tijde alles doen voor het boeddhisme, alles voor levende wezens" (時時刻刻 為 佛教 為 眾生 shíshí kèkè wèi fōjičào, wèi zhòngshēng).

Twee incidenten zouden de aanzet hebben gegeven voor Zhengyan om een ​​boeddhistische liefdadigheid te vestigen. In het midden van de 1960s, drie katholieke nonnen (de Orde van Les Soeurs de St. Paul de Chartre) kwam haar bezoeken, in de hoop haar tot het katholicisme te bekeren. Hoewel het lijkt alsof de nonnen gestopt zijn met proberen te bekeren, volgde een debat waarin ze Zhengyan vertelden dat de meeste boeddhistische discipelen zich alleen maar proberen voor te bereiden op het leven na de dood en niets doen om de problemen van de samenleving aan te pakken. Ze beweerden dat er geen boeddhisten waren die scholen en ziekenhuizen bouwden zoals christenen. Toen Zhengyan een tweede blik wierp in de boeddhistische geschiedenis, vond ze de vermelding van Guānyīn, wiens duizend handen en duizend ogen haar in staat stelde om gewone mensen te redden van het lijden, en ze raakte ervan overtuigd dat boeddhisten liefdadigheidsacties moeten verrichten, net als katholieken.

Een andere reden die Zhengyan ertoe bracht een medische liefdadigheidsinstelling te stichten, was het slechte gezondheidszorgsysteem in Taiwan in die tijd. In 1966 ging ze op bezoek bij een van haar vrienden in het ziekenhuis. Toen ze wegging, zag ze een plas bloed op de vloer en werd verteld dat het kwam van een arme boerenvrouw die een miskraam had gehad. Het gezin van de zwangere vrouw had haar ongeveer acht uur gedragen om het ziekenhuis te bereiken, maar ze had de behandeling geweigerd omdat het gezin niet het geld had om de aanbetaling van 8,000 NT-dollars (ongeveer 200-euro's) te betalen. Dit gebeurde vóór de invoering van een socialezekerheidsstelsel, toen de zieken moesten betalen voor hun eigen medische behandeling (National Health Insurance werd geïntroduceerd in Taiwan in de late 1990s). Het was een gangbare praktijk voor ziekenhuizen om een ​​aanbetaling te vragen voordat met de behandeling begonnen werd, maar deze praktijk was bijzonder hard voor degenen die in de armere gebieden in het oosten van Taiwan woonden, waar Zhengyan was gevestigd. Zhengyan beweerde dat medische zorg niet moest worden onthouden wegens gebrek aan geld, en dat het harteloos was om zo'n verkeerde praktijk toe te staan.

In maart werd 24, 1966 (maan) de Boeddhistische Compassion Merit Society (Fōjiào Cíjì Gōngdé Huì) formeel opgericht door Zhengyan met dertig leken-devotees (俗家 弟子) en enkele nonnen. Het doel was om de armen te helpen en te laten zien dat boeddhisten sociaal werk konden doen. De eerste missie was om geld in te zamelen voor medische behandelingen voor degenen die het niet konden betalen, waarbij zowel discipelen als leken hetzelfde principe volgden. De discipelen leefden van de opbrengst van hun werk met het maken van babyschoenen en elke discipel moest een extra paar babyschoenen per dag maken. Omdat er zes waren en elk paar schoenen werd verkocht voor NT $ 4 (nu 0.1 Euro, maar de waarde was bijna vijftig jaar geleden!), Konden ze elke dag een extra NT $ 24 (0.8 euro) maken. en een totaal van NT $ 8,640 (234 euro's) per jaar, waardoor de beweging zou kunnen betalen voor de medische storting van één patiënt. De meeste van de leken-toegewijden waren huisvrouwen en Zhengyan gaf elk van hen een pot van bamboe en vroeg hen om er vijf cent (0.025 euro) in te stoppen voordat ze naar buiten gingen voor hun dagelijkse boodschappen. Het motto 'vijf cent kon het leven van mensen redden' (wŭmáoqián yěkěyĭ jiùrén ') verspreidde zich snel in de markten van Hualian. Toen een toegewijde vroeg waarom het niet mogelijk was om de gift een keer per maand te geven in plaats van elke dag zo'n kleine hoeveelheid te redden, antwoordde Zhengyan dat het belangrijk was dat het een constante herinnering was aan het medeleven van de Boeddha.

Bovendien moest de leken een eed afleggen om vrijwillige hulp te bieden aan armen en zieken. De hulp was zowel geestelijk als materieel; het omvatte het schoonmaken van de huizen van de armen en het meenemen naar de dokter. Zhengyan verwees naar deze leken-toegewijden als wěi-yuán (委員 commissarissen), omdat ze als vrijwillige missionarissen van de beweging werkten (Jones 1996: 337, en Cíjì Niánjiàn 慈濟 年鑑 (Jaarboek van Ci Ji, 1992-1996: 39). De toegewijden werden gemotiveerd door het project en werden erg enthousiast in het werven van donaties en het verspreiden van de missie van Cí Jì. Op deze manier bouwden ze de reputatie van Zhengyan op en verspreidden ze het nieuws: 'Onze Meester bouwt een ziekenhuis in Hualian' (我們 的 師父 要 在 花蓮 蓋 醫院 wŏmėn shīfù yàozài Hualian gài yīyuàn).

Breder bezig te zijn met de sociaal-culturele ontwikkeling van Taiwan, in de 1980s, vergroot Zhengyan de doelen van de beweging: het nieuwe project was om de rijken te onderwijzen (教 富 jiào-fù). De economische groei had nieuwe sociale problemen gebracht, zei ze; de maatschappij was ziek en verloor haar traditionele waarden; de geesten van mensen waren vervuild door het materialisme. Om Ci'i te helpen de rijken geestelijk te helpen en de armen fysiek te redden, werd een nieuwe lidmaatschapscategorie ingevoerd: de ereconsuit (榮譽 董事 róngyù dŏngshì). Dit lidmaatschap wordt gegeven aan diegenen wiens donaties aan de beweging 1,000,000 NT dollars bereiken (ongeveer zevenentwintigduizend euro). In 1987, naarmate het aantal leden toenam, vormden de Honorary Patrons hun eigen vereniging binnen Cí Jì. Na de opname van de rijken begon Ci Ji uit een groter aantal mensen te rekruteren. De herenvereniging, genaamd het Regiment van het Geloofskorps (慈 誠 隊 cí-cén duì ), werd opgericht in mei 1990.

De enorme groei in de 1990s heeft Ci Ji in staat gesteld om zijn missie van liefdadigheid uit te breiden naar onderwijs, geneeskunde en cultuur. Het ziekenhuisproject zorgde voor veel opwinding en fondsenwerving bleef toenemen. Toen het ziekenhuis in 1986 was voltooid, had Zhengyan genoeg zelfvertrouwen om verdere donaties te vragen om het uit te breiden. Het Ci Ji-ziekenhuis werd daarmee het grootste ziekenhuis in het oosten van Taiwan, met 900-bedden. Zhengyan geloofde dat hogescholen met religieuze ethiek betere artsen en verpleegkundigen zouden produceren, Ci Ji begon fondsen te verzamelen om verpleeg- en medische colleges te bouwen. Het Nursing College 慈濟 護理 專科學校, Ciji Huli Zhuānkē Xuéxiào, werd voltooid in 1989, en het Medical College 慈濟 醫學院, Cíjì YīxuéYuàn, begon studenten in 1994 te werven. Tegenwoordig runt Ci Ji vijf ziekenhuizen, een universiteit in Taiwan en vestigingen in vierenzeventig landen, waaronder de VS en China. De reikwijdte van Cí Jì's liefdadigheidswerk groeide ook na deze periode en werd professioneler. Ci Ji heeft hulpacties in het buitenland ondernomen, waaronder een controversieel hulpproject naar China in 1991, en het vormen van gezamenlijke samenwerkingsprojecten. In het oog van het publiek wordt Ci Ji gezien als een openbare instelling, omdat het werkt omwille van het algemeen maatschappelijk welzijn.

Ci Ji is bekwaam in het werven van invloedrijk mediapersoneel, zoals Gāo Xìn-jiāng (高 信 疆 1944-2009), een van de meest gerenommeerde personages in de Taiwanese media. Gāo promootte de Meester Zhengyan op grote schaal in de pers en hielp ook met het bewerken van haar eerste boek, samengesteld uit haar toespraken. Dit was Nog steeds gedachten, wat een van de belangrijkste geschriften van Zhengyan is geworden. Nadat het twee tv-kabelkanalen had opgezet, de Dà Ài TV 大 愛 電視, bleven de donaties komen en werden de projecten uitgebreid en uitgebreid. De beweging richtte bijvoorbeeld een beenmergbank op in 1993. Tot 2011 registreerden ongeveer driehonderdduizend mensen hun bloedmonsters bij de Beweging. Een ander voorbeeld is het doneren van iemands lichaam voor medische doeleinden, de 'stille mentoren'.

DOCTRINES / OVERTUIGINGEN

Zhengyan verklaart dat haar traditie de moderne versie volgt van het Chinese boeddhisme, "Humanistisch Boeddhisme" 人間 佛教 Zhénjiān Fójiào), dat begon in de vroege republikeinse periode en door veel Boeddhistische meestervluchtelingen naar Taiwan werd gedragen toen de communisten de macht in China overnamen. De meeste boeddhistische groepen in Taiwan beweren deel uit te maken van deze Zhénjiān Fójiào-beweging. Cí Jì heeft de leringen en praktijken nog verder ontwikkeld. Als een lekenboeddhistische beweging heeft Cí Jì het duidelijk gemaakt, hoewel Zhengyan zelf zich dit misschien niet gewaar is of niet wil dat het zo is, dat haar leerstellingen en leefregels in feite heel seculier zijn, en in sommige opzichten gezien kunnen worden dichter bij het Japanse boeddhisme zijn dan bij zijn Chinese tegenhanger.

Zhengyan was autodidact, en haar twee delen riepen Still Thoughts :, One als Twee (靜思 語 Jìnsī Yŭ, voortaan TST I, TST II), waren de beste verkopers in Taiwan voor maanden, en zijn ook gebruikt door honderden primaire en secundaire leraren als een leerboek voor het onderwijzen van ethiek; aldus wordt zij begrepen als Moeder Theresa van Taiwan.

Het boeddhistische concept van karma (yè 業) is fundamenteel voor de leer van Zhengyan. Ze beweert dat iemands huidige toestand, goed of slecht, het resultaat is van karma. Karma is opgebouwd over een aantal levens, het opbouwen van neigingen die grotendeels iemands huidige karakter en situaties bepalen. Zhengyan schrijft bijvoorbeeld: "We komen vaak twee soorten mensen tegen, degenen die aardig en aardig zijn tegenover anderen, en degenen die bazig en wreed zijn tegenover anderen. Mensen van de voormalige groep hebben echter soms een zwaarder leven dan de laatste. Waarom? Het is vanwege de karmische beslissingen die ze in hun vorige leven hebben genomen (TSTII: 233). "Volgens Zhengyan verklaart het effect van karma ook de huidige rijkdom, gezondheid en zelfs interpersoonlijke relaties van mensen; bijvoorbeeld, de buitenechtelijke verhouding van een man wordt beschouwd als het gevolg van het slechte karma van de vrouw. In een gesprek zei Zhengyan tegen een vrouwelijke discipel: "Noem het geen affaire. Je zou het als een kans moeten zien. Het maakt deel uit van je karma. Je zou het dapper moeten accepteren. Je moet je man dankbaar zijn dat hij je deze kans heeft gegeven [om de ontberingen van het leven te ervaren] "(TSTII: 164-65).

Zhengyan zegt dat, hoewel sommige resultaten van karma niet kunnen worden vermeden, ze kunnen worden verzacht. Als iemand bijvoorbeeld voorbestemd is om een ​​ongeluk te krijgen en mogelijk wordt gedood of aangevallen, is een manier om de uitkomst minder ernstig te maken, door morele verbetering. Ze zei: “Je moet deugd cultiveren om een ​​ramp te voorkomen…. U kunt uw geluk in overvloed vergroten door een zachte en liefdevolle houding ten opzichte van anderen te tonen ”(TSTII: 234-37).

Zhengyan benadrukt ook het belang van collectief karma (共 業 gòngyè). Ze beweert: "Nu we in deze wereld zijn geboren, kunnen we niet gescheiden worden van collectief karma en groepsaffiniteit. We kunnen de groep niet verlaten om zich te verbergen voor de wereld in onze praktijk. Ware bevrijding wordt gezocht en bereikt, zowel in onze affiniteit met anderen als in het midden van genegenheid "(TSTI: 8). Volgens Zhèng Yán is de samenleving daarom een ​​onmisbaar onderdeel van iemands vooruitgang naar verlichting. Ze vervolgt: "... als we aan de realiteit ontsnappen en ons verbergen voor mensen en gebeurtenissen, zullen we moeite hebben om wijsheid te verwerven" (TSTI: 25).

Zhengyan suggereert dat altruïstisch gedrag een andere oplossing is om karma aan te passen. Volgens haar introduceerde de Boeddha zijn religie in de wereld omwille van het redden van andere levende wezens (TSTII: 206). Ze beweert dat altruïsme de eerste vereiste is om een ​​boeddhist te worden. De kernleer van Ci Ji is: xiánrù shànmén zàirù fómén (先 入 善 門 再 入佛門 om eerst door de poort van vriendelijkheid te gaan, voordat je de poort van het boeddhisme binnengaat).

Altruïsme elimineert niet alleen slecht karma, maar creëert ook goed karma. Zhengyan zegt: “Hoe kan iemand herboren worden in de westerse wereld van volmaakt geluk (het boeddhistische concept van het hemelse rijk waarvan wordt geleerd dat het ver boven deze wereld bestaat)? U moet een sterke vastberadenheid hebben om anderen te helpen, vriendelijkheid en geluk aan te kweken om dat doel te bereiken. U moet uw goede ideeën ook in de praktijk brengen door actie te ondernemen…. We kunnen onze bestemming niet bereiken zonder goede daden te beoefenen ”(TSTII: 258).

Zhngyan benadrukt dat altruïsme alleen effect heeft wanneer het in actie komt (做 zuò). Het heeft geen zin goede bedoelingen te hebben en ze nooit in praktijk te brengen. Fú (福 verdienste, fortuin of zegening) is een andere belangrijke leer van haar. Hoewel fú nogal lijkt op karma, omdat beide geërfd zijn, is fú een meer materialistische term; men kan bijvoorbeeld zeggen dat sommige mensen rijk zijn terwijl anderen arm zijn omdat de rijken fú hebben en de armen dat niet. Meester Zhengyan waarschuwt de rijken om niet frivool te genieten van hun fú, anders is hun fortuin verdwenen. Om haar perceptie van fú uit te werken, roept Zhengyan mensen op tot zhīfú (福 福 realiseren fú), tot xífú (惜福 waarderen fú), en tot zhàofú (造福 create fú). Zhengyan's onderricht heeft tot doel mensen aan te moedigen zelfbewustzijn te cultiveren en te beseffen dat, als iemand hard probeert te zijn, men niet alleen in het hiernamaals maar ook in deze een overvloedige verdienste zal verkrijgen. Dat is haar doctrine van zhífú (植 福 het planten van de zaden van geluk). Dus, "de armen hebben de wil om niet arm te zijn, terwijl de rijken graag rijker willen zijn" (TSTI: 74).

Een manier om te zhífú is door de harmonie van de samenleving te behouden. Het volgende verhaal is door Zhengyan voortdurend herhaald:

Een multi-miljardair leefde slechts tot zijn jaren vijftig. Terwijl hij nog leefde, was hij erg gierig voor zichzelf en voor anderen. Hij is nooit getrouwd geweest omdat hij dacht dat een vrouw en kinderen te duur waren, en hij bracht zijn broers en zussen eens voor de rechter wegens een minder belangrijk geschil over een eigendom. Toen hij ziek werd, ging hij naar een apotheker in plaats van artsen in een ziekenhuis te zien. Hij stierf alleen zijn ondergoed dragend, omdat hij geen tijd had om kleren aan te trekken. Ten slotte ging zijn fortuin naar zijn broers en zussen, die vervolgens onophoudelijk om de erfenis vochten. Meester Zhengyan geeft vaak commentaar op zulke mensen: deze rijke man was een ellendig persoon, omdat hij zijn geschenk van rijkdom (福 因 fúyin) niet gebruikte om een ​​bijdrage te leveren aan de samenleving. Als hij dat had gedaan, zou hij overvloedige verdienste hebben gekregen (功德 gōngdé) toen hij stierf (TSTII: 258).

Cí Jì heeft een unieke benadering van redding ontwikkeld, die xíngjīng 行經 wordt genoemd (handelend volgens boeddhistische leringen). Het leidt de leken ertoe om hun verdiensten te verzamelen en ernaar te streven een bodhisattva te worden. Guānyīn is de figuur van wie Zhengyan haar prestige en spirituele kracht put. In Mahāyāna Boeddhisme is Guānyīn de belichaming van mededogen (cíbēi 慈悲). Zhengyan leert dat Guānyīn een intieme relatie heeft met de levende wereld. Volgens de boeddhistische traditie heeft Guānyīn een sterk vermogen tot mededogen ontwikkeld; ze luistert naar de klaagzangen van levende wezens en ontslaat hen van hun lijden. Guānyīn's genereuze on-hemels karakter is waarom Zhengyan zich zo door haar voelt geïnspireerd. Zhengyan heeft gezworen de medelevende geest van Guānyīn toe te passen op deze wereld.

De compassie-ideologie van Guānyīn vormt de centrale doctrine van Zhengyan; het is de xíng púsà dào 行 菩薩 道 (wandelen op het pad van een bodhisattva). Elke persoon moet zijn aangeboren compassievolle aard en zijn vermogen om de behoeftigen te helpen cultiveren. Zhengyan beschouwt bùshī 布施 (het geven van aalmoezen) als de meest verdienstelijke daad: "Geld is geen intrinsiek onderdeel van onszelf; dus, er zijn natuurlijk momenten dat we het krijgen of verliezen. Dus er is geen reden om trots te zijn op iemands rijkdom of treurig te zijn over iemands armoede "(TSTI: 59). Zhengyan benadrukt ook dat op het moment van overlijden niemand rijkdom met zich mee kan nemen. Zhengyan zegt dat iemands gift aan de beweging een kwart van zijn inkomen moet zijn; onderwijs voor ouders, familie en kinderen zou elk ook een kwart moeten krijgen "(TSTI: 59). Het geven van iemands liefde (ài 愛) is ook zeer verdienstelijk.

Zhengyan beweert dat ziekte de belangrijkste oorzaak van armoede is en dat een ziekenhuis de beste plaats is om getuige te zijn van de vergankelijkheid en ellende van de menselijke conditie. De Boeddha wordt vereerd als de Grote Geneeskoning (Dà yīwáng 大 醫 王). Een enorm fresco op de hoofdmuur van de lobby van het hoofdziekenhuis van Cí Jì in Hualian toont de Boeddha bij het bed van een patiënt, bezig met genezing van hem. Daarom roept Zhengyan haar volgelingen op om als vrijwilligers in de ziekenhuizen van Cí Jì te werken (TSTII:206).

De basisregels die Cí Jì's leden moeten waarnemen, worden de Tien Geboden genoemd: (1) om geen levend wezen te doden 不 殺生; (2) 不 偷盜 niet stelen; (3) zich niet bezighouden met moedwillig seksueel gedrag 不 邪淫; (4) om niet verkeerd te spreken 不 妄語; (5) geen alcohol drinken 不 飲酒; (6) niet roken of betelnoot kauwen 不 抽煙 吸毒 嚼 檳榔; (7) niet te gokken, waaronder het spelen van de loterij en betrokkenheid op de aandelenmarkt 不 賭博 投機取巧; (8) om de wensen van de ouders te volgen en hen dankbaar te zijn 孝順 父母 調和 聲色; (9) om de verkeersregels niet te overtreden 遵守 交通規則; (10) niet deelnemen aan politieke demonstraties of anti-overheidsactiviteiten 不 參加 政治 活動 示威 遊行. Regels nummer 6, 9 en 10 zijn er om te voldoen aan de behoeften van de moderne Taiwanese samenleving en om de leden meer gecultiveerd en politiek onthecht te maken. De andere regels zijn de basisrecepten van het traditionele boeddhisme; bijvoorbeeld, het gebod tegen moedwillig seksueel gedrag is gericht op het verminderen van de seksuele promiscuïteit die ongebreideld is onder moderne Taiwanese mannen.

Zhengyan predikt dat de leer van de Boeddha niet alleen gaat over hoe je bevrijd kunt worden van de cyclus van geboorte en dood, maar ook over hoe je anderen kunt tolereren en geschillen kunt voorkomen. Het traditionele boeddhisme bepleit een ideologie van onthechting van wereldse waarden, inclusief menselijke relaties. Daarentegen leggen Zhengyans leringen grote nadruk op wereldse betrokkenheid, vooral op het verbeteren van relaties met anderen.

Zhengyan beschouwt de dood als "reïncarnatie" en noemt het de wăngshēng 往生 (wedergeboorte). Wanneer de dood plaatsvindt, zal de geest het lichaam moeten verlaten en naar de hel (地獄) of de hemel (天堂) moeten gaan. Binnen negenenveertig dagen na de dood zal de geest (魂 hún) opnieuw de cyclus van reïncarnatie ingaan (輪迴 lúnhuí) volgens het verzamelde karma). Iemand met goed karma (善 業) zal snel herboren worden terwijl iemand met slecht karma (惡 業) meer tijd nodig heeft. Hierna zal de relatie tussen de overledene en zijn of haar levende verwanten eindigen. Het is bijgevolg onmogelijk om een ​​band te onderhouden tussen de overledene en zijn of haar nabestaanden en ze delen niet langer een gemeenschappelijk collectief karma na de periode van negenenveertig dagen. In tegenstelling tot traditionele normen, zullen volgens Zhengyan, voorouders na deze periode geen enkele invloed hebben op hun levende afstammelingen.

In de leringen van Cí Jì wordt niets gezegd over het overdragen van verdienste aan dode voorouders of familieleden uit het verleden. In antwoord op de vraag van een devotee over het uitvoeren van herdenkingsrituelen voor een dode voorouder, zegt Zhengyan: "Je moet oprecht iets doen voor de doden. Dan zullen zowel de doener als de doden gezegend zijn: de doener krijgt een beloning voor de verdienstelijke daad, terwijl de overledene een bijdrage levert aan de wereld door je te motiveren om een ​​boeddhist te worden "(TSTI: 267-68). Het kan dus worden gezien dat de nadruk ligt op werk voor de levenden, niet voor overleden voorouders.

De leringen over de vluchtige relatie tussen de levenden en de overledenen, beweren dat ieders redding afhankelijk is van de uitvoering van onzelfzuchtige daden voor anderen. Dit zijn boeddhistische concepten in plaats van Chinese traditionele leringen. Cí Jì beschouwt zelfs de relatie tussen kinderen en ouders als tijdelijk.

Als gevolg daarvan dragen de Ci Ji-leden de individuele verantwoordelijkheid voor hun gedrag, dat voornamelijk in ethische en niet in rituele termen wordt voorgeschreven. Ze willen daarom geen enkel vorm van formalisme dat hun religieuze praktijk afbakent van de rest van hun dagelijks leven, en het is essentieel dat ze de betekenis begrijpen van wat hun leiders en andere geloofsgenoten van de gemeenschap aan hen communiceren. 

De boeddhisten die Taiwan binnenkwamen van het vasteland toonden weinig interesse in of bezorgdheid over de lokale cultuur van Taiwan. De belangrijkste taal van Taiwan is een Chinese vorm genaamd Hokkien (Fúlǎohuà 福佬 話), die niet wederzijds te begrijpen is met Chinese dialecten op het vasteland. Dat het boeddhisme van het continent Mandarijn Chinees bleef gebruiken voor zijn liturgieën en preken was typerend voor zijn algemene houding. Zhengyan gebruikt alleen Hokkien, waardoor Ci Ji een typisch Taiwanese beweging wordt, die mensen met lokale culturele of politieke sympathieën aantrekt. Een van de "Tien Geboden" (十誡 Shí Jiē) waaraan de leden van de beweging moeten gehoorzamen, is niet om deel te nemen aan een publieke vorm van politiek. Vandaar dat de beweging volledig voorbijgaat aan openlijke politieke betrokkenheid; het opvallende Taiwanese karakter moet echter de vroege groei hebben bevorderd.

RITUELEN / PRAKTIJKEN

The Abode (靜思 精舍 jìngshī jīnshè) wordt gebruikt om het hoofdkwartier van de beweging aan te duiden in Hualian, [Afbeelding rechts], gebaseerd op de plek waar de Meester heeft gewoond sinds haar oprichting. The Abode doet geen ceremonies voor traditionele boeddhistische feestdagen; niettemin is de verjaardag van de Boeddha (佛誕 日 fōdànzì) een grote etalage geworden voor Ci Ji. The Abode houdt alleen een ochtenddienst en een keer per maand chanten, waarbij de Healing Sutra (藥師 經 Yàoshī Jīn) wordt gereciteerd; dit wordt normaal gesproken alleen door de geordende discipelen uitgevoerd. Vergeleken met andere boeddhistische kloosters en tempels in Taiwan zijn religieuze diensten in de woonplaats relatief zeldzaam en onbelangrijk voor het religieuze leven.

Zăokè 早 課 (de ochtenddienst) volgt een standaardvorm die de meeste boeddhistische tempels in Taiwan gemeen hebben. Wat hier belangrijk is, is dat het wordt uitgevoerd door Zhengyan. In de meeste tempels van Taiwan zal het hoofd normaal gesproken niet aanwezig zijn bij dit soort activiteiten. De ochtenddienst begint bij 4 AM en eindigt bij 6 AM. Het gezang en de gesprekken worden niet gevoerd in het Mandarijn, de officiële taal van Taiwan, maar in Hokkien, het dialect dat wordt gesproken door de meerderheid van de Taiwanezen.

Bestaande leden (出家 眾) die in de woonplaats wonen, nemen de leidende rol in het begin van de dienst. Het begint met het chanten van de Lotus Sūtra (miàofǎ liánhuájīng 妙法 蓮華 經) gedurende een uur. De congregatie zit met gekruiste benen op de vloer; soms moeten ze opstaan ​​of knielen, volgens de instructies op de monitors boven hun hoofd. Na het chanten is er een mediasessie van twintig minuten (靜坐); mensen worden gevraagd hun ogen te sluiten. Ondertussen zijn alle lichten en geluiden uitgeschakeld, waardoor de ruimte volledig stil en donker wordt. Tegen het einde van de meditatie wordt een diffuus enkel helder licht aan de voorkant verlicht en een bewegend object nadert van achteren. Het is Zhengyan, die zichzelf naar het altaar werpt (佛 壇). Na het draaien draait ze zich naar het publiek en zit op een kussen. Dan zal ze de vergadering wakker maken met haar heldere stem versterkt door een microfoon. Onder wazige verlichting begint Zhengyan haar ochtendlezing (開 示) van dertig minuten.

Deze lezing bestaat doorgaans uit een emotionele oproep aan het publiek, waarin ze voorbeelden noemt van lijdende slachtoffers, bijvoorbeeld bij aardbevingen. Het begint normaal gesproken met algemene onderwerpen zoals het weer en leidt tot een verslag van rampen die zich recent elders hebben voorgedaan, en andere actuele zaken. Zhengyan zal deze evenementen gebruiken om de doelen en het doel van de beweging en haar missie te versterken, waarbij ze haar volgelingen aanspoort "dat het huidige moment de kans is om verdiensten voor de toekomst te vergaren ... Wat je in de toekomst zult bereiken is gebaseerd op de inspanningen die je doet op dit moment" (TSTII: 179). De mensen die lijden aan deze rampen worden met veel sympathie getoond en vaak wordt ze erg emotioneel en beeft haar stem. Dit heeft vaak een impact op het publiek, van wie velen beginnen te huilen. Het gesprek wordt afgesloten met het erkennen van de deelnemers (gănēn 感恩) in de ochtenddienst: "Zonder dat je zo genadig en ondersteunend bent, is het onmogelijk om vandaag de beweging te hebben ... Laten we positief zijn, want een nieuwe dag is nog maar net begonnen!"

Zoals het een liefdadigheidsinstelling betaamt, is de toegang tot de beweging normaal gesproken door regelmatig donaties te doen en de meest elementaire plicht van de leden om fondsen te werven. In de afgelopen vier decennia heeft Ci Ji zich nationaal en internationaal gevestigd, als een lekenbeweging van meer dan tachtigduizend voltijds vrijwillige leden, ongeveer twee derde van hen vrouwen, die tien miljoen donoren hebben overgehaald om haar campagnes te ondersteunen door maandelijkse contante donaties. Ci Ji is trots op zijn financiële transparantie.

In het Chinees, de personages tie 慈 en ji 濟 betekent letterlijk respectievelijk 'compassie' en 'opluchting' en verwijst naar de opvallende kenmerken van de bodhisattva Guānyīn 觀音. Zhengyan is een levenslange toegewijde van Guānyīn geweest en haar volgelingen beschouwen haar als een belichaming van die eigenschappen. De opvallende kenmerken van Cí Jì zijn:

  • een overweldigende nadruk op ethiek, tegenover meditatie, liturgie, filosofie en gnosis; dit gaat gepaard met een stress op deze wereldse zaken. Aldus zien leden altruïsme als essentieel.
  • het is een lekenbeweging. Zhengyan is zelf als boeddhistische non gewijd, zij het op een onorthodoxe manier. Ze heeft een aantal nonnen geordend, maar er zijn geen monniken, en de positie van nonnen anders dan Zhengyan zelf is informeel; de ethos van de beweging is egalitair.

Het fundamentele beleid van Cí Jì is dat leden vrijwilligers moeten zijn (志工 zhìgōng) en gelddonaties moeten werven om hun projecten te financieren. Dit beleid vereist dat elk Ci Ji-lid, met name de "commissarissen" (wĕiyuăn), ten minste dertig "donoren" (huìyuán) rekruteert om maandelijks donaties te doen aan de beweging. Zhengyan benadrukt het leren van het boeddhisme door praktisch werk, en ze vermijdt de wetenschappelijke of intellectuele benadering. Dit is een van haar leringen over zòu zhōng xué 做 中學 (leren tijdens het doen), omdat door quánmù 勸募 te doen (mensen overhalen om te doneren).

Ondanks het onpersoonlijke karakter van de relatie van een individu met zijn lokale Ci Ji-afdeling, vertonen de leden niettemin een zeer hoge aanwezigheidsgraad bij branchevergaderingen en -activiteiten, waarvan meer dan veertig procent minstens vier keer per maand komt en nog een vijfde bijwoont de tak twee keer per week. Meestal komen ze het geld dat ze hebben verzameld bij de hand. Het meest spectaculaire kenmerk van de Táibi-vestiging van Cí Jì is het enorme aantal computers en mensen die werken bij het bijhouden van nauwkeurige gegevens over de geaccumuleerde donaties van elk lid. Op zijn beurt heeft elk lid van Cí Jì, in het bijzonder de commissaris, een kantoorboek om de donaties die ze voor de beweging hebben ingezameld bij te boeken en de donateurs bonnetjes te geven. Er is een duidelijke rituele symboliek in de Ci Ji-leden die hun werk bijhouden.

ORGANISATIE / LEIDERSCHAP

 Dharma Meester Zhengyan leidt nog steeds de beweging en is de enige onbetwiste autoriteit. In tegenstelling tot het positiegerichte leiderschap in bureaucratische organisaties, is leiderschap van de beweging meer persoonsgericht.

Meester Zhengyan wordt door Ci Ji-leden shangren ('de superieure man') genoemd. Deze termijn voor een boeddhistische meester is echter een nieuwe manier in het hedendaagse Taiwan. Zhengyan wordt beschouwd als het hoofd van een gezin en leden zien zichzelf als haar kinderen: in het hoofd van de leden gedraagt ​​Zhengyan zich als een vriendelijke moeder.

Meester Zhengyan is de enige in de Ci Ji-beweging van wie leden hun energie ontlenen. Zij is de president van de beweging, de tonsuurmeester van de geordende discipelen en de abdis van de verblijfplaats. Ze is een icoon voor alle Ci Ji-mensen. Een foto van Meester Zhengyan is te zien in het huis van elk lid. Sommigen houden er één in hun portemonnee; veel plaatsen haar foto op het familiealtaar. Ze praten of bidden naar haar pictogram over hun problemen. Ze voelen zich verbonden met haar door naar haar platen te luisteren of haar boeken te lezen, als ze haar niet persoonlijk kunnen observeren. Ci Ji-leden behandelen meester Zhengyan als hun redder. Veel liederen zijn aan haar gewijd ter ere van haar leiderschap, zoals het lied Zhiqian nide shou ("Om alleen de hand van je [Meester Zhengyan] vast te houden").

Naast de Abode en andere instituten in Hualian, heeft Ci Ji talrijke vestigingen en liaisons (beginnende filialen) in heel Taiwan en het buitenland gevestigd; ze worden beschouwd als suborganisaties van Ci Ji. De vorming van deze takken dient uitsluitend om het gemak van de administratie te dienen.

De structuur van de Ci Ji-organisatie is persoonlijk en op netwerken gebaseerd; het wordt eerst vrijwillig door vrouwen opgericht, daarna worden ze geleidelijk vervangen door mannen als Ci Ji betere kandidaten vindt. Wanneer er een sterk verlangen is naar een vaste plaats, wordt een liaison opgericht. Een lianluochu (聯絡處 liaison) is normaal gesproken een groep leden met een nummer van een paar honderd tot een handvol van ongeveer tien. Het wordt opgericht wanneer een lid een stabiele plaats voor de beweging kan bieden. Normaal gesproken bevindt het zich in het huis van een groepsleider.

Een fenhui (分會 tak) wordt gevormd wanneer aan twee voorwaarden wordt voldaan: dat er voldoende getallen zijn en dat er een permanente plaats is voor het exclusieve gebruik van de Beweging. Het is dan toegestaan ​​om een ​​oprichtingsceremonie te houden en een vlag wordt gegeven aan het filiaal, waardoor het formeel wordt erkend als een samenstellende eenheid van Ci Ji. De tak is territoriaal en regionale groepen vallen eronder. Een site wordt meestal gedoneerd of gekocht tegen een relatief lage prijs. Het Taipei-filiaal is de grootste tak van Ci Ji. De architectuur lijkt meer op een modern gebouw dan op een traditionele tempel.

De medewerkers van de vestiging in Taipei, waarvan de meesten jonge vrouwen zijn, moeten aanwezig zijn als er vergaderingen zijn in de vestiging en omdat deze vaak 's avonds worden ingepland, moeten ze te laat blijven. Dientengevolge zijn sommigen die ver weg woonden verhuisd naar het bijkantoor. Omdat hun werk een vrijwillig element bevat, accepteren werknemers minder dan voor hetzelfde werk buiten Ci Ji en hebben ze geen jaarlijkse vakantie. De eisen van het werk maken het erg moeilijk voor medewerkers om contact te houden met mensen buiten de beweging. Dit geldt met name voor degenen die op het terrein wonen: hun werklast en taken hebben hen geïsoleerd van hun oude schoolvrienden en hebben hen verhinderd om meer conventionele vrijetijdsactiviteiten bij te wonen; bewijsmateriaal zoals wat ze dragen en hun gespreksonderwerpen suggereert dat die werknemers een geïsoleerde minderheid vormen. Daarom socialiseren ze binnen de beweging zelf. Sommigen worden uiteindelijk nonnen van de beweging.

Het lijkt erop dat er een grote mate van scheiding is tussen familie en vrienden. Een alleenstaande vrouw, op de leeftijd van eenendertig, zegt dat ze nauwelijks tijd overhoudt om haar oude vrienden en familie te zien. Vanwege de werkdruk moet ze werken van maandag tot en met zaterdag en heel vaak werkt ze ook op zondag. Ze herinnert zich niet wanneer ze haar familie voor het laatst heeft bezocht (persoonlijk interview).

Afgezien van de maandelijkse bezoeken van meester Zhengyan, fungeert het bijkantoor als een regionaal centrum voor de missies van de beweging en het regionale lidmaatschapsbestuur. In het begin is de arbeidsverdeling tussen een tak nogal onpersoonlijk; het is in eerste instantie verdeeld door geslacht, leeftijd en sociale achtergrond. Maar omdat er een sterk verlangen is naar socialisatie en de noodzaak om zendingswerk te bevorderen, neigt deze verdeling te breken wanneer leden worden onderverdeeld voor bepaalde functies.

De regionale groepen kunnen het kantoor gebruiken voor vergaderingen. Deze lokale groepen hebben weinig autonomie. Het CiJi-hoofdkantoor biedt een thema voor elk van de vergaderingen. De leken zelf leidden, zonder de aanwezigheid van een priester, de vergaderingen, waarbij elke vergadering ongeveer twee uur duurde. Over het algemeen is de procedure als volgt: chanten van de Lotus Soetra voor een half uur; meditatie gedurende vijf minuten; nieuws verslagen; bespreking van het thema; eindigend met gemeenschappelijke petities voor het succes van de beweging en het welzijn van meester Zhengyan.

PROBLEMEN / UITDAGINGEN

Hoewel Zhengyan beweerde dat haar kennis van het boeddhisme autodidact is, en Ci Ji een onderdeel is van de huidige trend van het Chinees humanistisch boeddhisme, is CiJi in feite een vorm van geseculariseerd Nichiren-boeddhisme, meestal in de buurt van Risshō Kōsei-Kai. Los van deze fundamentele doctrinaire controverse, staat Ci Ji ook voor grote publieke veroordelingen van de Taiwanese samenleving.

Ci Ji is internationaal beroemd geworden vanwege zijn goede doelen. Lokaal in Taiwan is het niet minder bekend bij het publiek vanwege zijn invloed, wat vooral te danken is aan de rijkdom die het heeft opgebouwd door de donaties van zijn volgelingen. In de afgelopen jaren hebben de media controverses gerapporteerd, waarvan het merendeel is voortgekomen uit het gebruik van middelen op een manier die van invloed is op het grote publiek, en ook over hoe het omgaat met de beroepsbevolking in zijn eigen ondernemingen.

Wat de dagelijkse werking betreft, is een van de kritieken van Ci Ji de afhankelijkheid van charisma en vrijwilligerswerk. Jacob Tischer, een journalist, bekritiseerde de alomtegenwoordigheid van de stichtende figuur en de afhankelijkheid van de hele organisatie van het charisma van Zhengyan. Hij merkte op dat dit charisma geïnstitutionaliseerd moet worden om de overleving van de organisatie te waarborgen, zoals gebeurde in het geval van Master Shengyan (聖 嚴), die significant bleef voor het imago van Dharma Drum, zowel in Taiwan als in het buitenland. Tischer ondervroeg ook de structuur van economische ondernemingen van Ci Ji als een economische onderneming die afhankelijk is van vrijwilligers, die kunnen worden beschouwd als 'de goedkoopste en meest toegewijde arbeid die mogelijk is'. Het Neihu-project werd bekritiseerd omdat het een meer algemene tendens in het Ci Ji-boeddhisme illustreerde: dat de welzijn van de mens komt altijd voor het milieu, zoals gebeurde met de afvalrecyclingfabriek van Ci Ji. Tischer herleefde de kritiek dat de activiteiten van Ci Ji worden geleid door een zeer kleine kring van leiders, en becommentarieerde zijn neiging om "uniformiteit van zijn leden te eisen, kritiek te ontmoedigen of deel te nemen aan politieke activiteiten, introspectie over spirituele kwesties, een algemene stimulans om gezag te accepteren , een snelgroeiende expansie naar China - maakt het moeilijker voor Ci Ji als een organisatie en haar leden als politieke onderwerpen om zich aan te sluiten bij de liberale democratie. "

Het hoge aanzien van Zhengyan in bepaalde publieke evenementen toen ze reageerde door een religieuze positie in te nemen, was controversieel, vooral wanneer Ci Ji of zijn leden erbij betrokken waren. Een beroemd voorbeeld was het eetbare olieschandaal in Taiwan, waarbij Wei Yinchong, voorzitter van Wei Quan Foods onder Ding Xin International Group, betrokken was. Hij was een volgeling van Zhengyan en kreeg te maken met formele aanklachten nadat zijn bedrijf vervalste oliën had verkocht onder het merk Wei Quan. Hij werd veroordeeld tot twee jaar gevangenisstraf. Hij werd niet door Zhengyan zelf bekritiseerd. In plaats daarvan leek het publiek te begrijpen van de woordvoerder van Ci Ji dat Zhengyan haar discipel niet veroordeelde, maar Wei gewoon troostte door hem aan te moedigen "goed te eten, goed te slapen". Het publiek bleef zich afvragen of Zhengyan's meest serieuze leer voor Wei was om vraag hem om meer betrokken te raken bij liefdadigheid en om meer positieve acties te ondernemen ten bate van de samenleving.

De nauwe relatie tussen Wei Yinchong en Zhengyan zorgde voor spanning tussen Ci Ji en het publiek met betrekking tot sociale gerechtigheid. Wei was de voorzitter van de voedselhulpgroep in Ci Ji's International Humanitarian Aid Association. De wederzijdse relatie tussen Wei en Ci Ji kan worden aangetoond door de berichten dat Wei Quan Foods de outsourcingfabrikant was voor Ci Ji en naar schatting dertig tot veertig procent van het voedsel van Ci Ji heeft vervaardigd. Er werd beweerd dat de onderneming op Ci Ji had vertrouwd voor haar productafbeeldingen. Hoewel het meestal aan individuen wordt overgelaten om te beslissen hoe zij denken dat een religieuze leider moet reageren op een publieke kwestie, leek het erop dat leden van het publiek erg bezorgd waren over voedselveiligheid en dat het alleen maar gerechtvaardigd was dat de juridische afdeling van de stad de onderneming zou straffen. voorzitter, zonder te worden beïnvloed door de hoge reputatie die hij had verworven door zijn associatie met Ci Ji.

De afdeling Arbeidszaken van de gemeentelijke overheid van New Taipei heeft gemeld dat van de zevenenvijftig onderzochte ziekenhuizen er 2014 de arbeidsnormen hebben overtreden. Het boeddhistische Tzu Chi General Hospital, Taipei Branch, werd door de afdeling in 2016 ontmaskerd omdat het de medische staf overspannen, overwerk en onderbetaling van overuren had veroorzaakt. Het Tzu Chi-ziekenhuis bleek, niet voor de eerste keer, overtredingen te hebben begaan, en van de ziekenhuizen in het district heeft de hoogste cumulatieve boete moeten betalen die door het ministerie is opgelegd. Verdere rapporten over wanpraktijken in het Tzu Chi General Hospital in Hualian (花蓮) werden in XNUMX gepubliceerd door de Taiwan Medical Alliance for Labor Justice and Patient Safety, TMAL (台灣 醫療 勞動 正義 與 病人 安全 促進), nadat ze een rapport hadden ontvangen van een vrouwelijke arts van de afdeling Hematologie & Oncologie, die beweerde dat ze vijf dagen aaneengesloten had moeten werken en zesendertig uur overuren had moeten maken, waarna ze viel en zes maanden in coma lag, maar geen vergoeding van het ziekenhuis.

AFBEELDINGEN

Afbeelding #1: Dharma Master Zhengyan.
Afbeelding #2: De tempel gesticht door Zhengyan in Hualian, de Pumensi.
Afbeelding #3: het hoofdkwartier van de bewegingen in Hualian, Taiwan.
Afbeelding #4: Het logo van de Ci Ji-organisatie.

REFERENTIES **
**
Tenzij anders vermeld, is het materiaal voor dit profiel afkomstig van Yao, Yu-Shuang, 2012. Taiwan's Tzu Chi als geëngageerd boeddhisme: afkomst, organisatie, beroep en sociale impact. Leiden en Boston: Global Oriental / Brill.

Zhengyan (Cheng Yen). 1996. Still Thoughts II. Vertaald door Lin Chia-hui. Bewerkt door Douglas Shaw. Taipei: Still Thoughts Cultural Mission Co., Second Edition.

Zhengyan (Cheng Yen). 1993. Nog steeds gedachten I. Bewerkt door Káo HsĪn-chiáng. Taipei: Tzu Chi Culture-publicaties.

AANVULLENDE HULPBRONNEN

Haar, Rey-Sheng, 2013. "The Silent Mentors of Tzu Chi." Journal of the Oxford Centre for Buddhist Studies 4: 47-74.

Huang, Chien-yu Julia, 2009. Charisma en mededogen: Zheng Yan en boeddhistische Tzu Chi-beweging. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Jones, Charles Brewer, 1999. Boeddhisme in Taiwan: religie en de staat 1660-1990. Honolulu: University of Hawai'i Press.

Madsen, Richard, 2007. Dharma van democratie: religieuze ontwikkeling en politieke renaissance in Taiwan. Berkeley: University of California Press.

O'Neill, Mark, 2010. Tzu Chi: Dienen met mededogen. Singapore: John Wiley.

Pen, Shu-chun, 1993a "Boeddhistische Compassion Relief Tzu Chi Association." Pp. 196-99 in Still Thoughts by Dharma Meester Cheng Yen. Bewerkt door Kao Hsin-chiang. Taipei: Tzu Chi Culture-publicaties.

Pen, Shu-chun, 1993b. "Weerspiegeling van bergen wanneer uitzicht op bergen, reflecterend water bij het kijken naar water: het verhaal van Dharma Meester Cheng Yen." Pp. 210-36 in Still Thoughts by Dharma Meester Cheng Yen. Bewerkt door Kao Hsin-chiang. Taipei: Tzu Chi Culture-publicaties.

Publicatie datum:
15 mei 2019

 

 

Deel