Sōka Gakkai

SŌKA GAKKAI

SŌKA GAKKAI TIJDLIJN

1871 (6e dag van de 6e maand): Makiguchi Tsunesaburō, oprichter van Sōka Kyōiku Gakkai (Value Creation Education Study Association), werd geboren als Watanabe Chōshichi in een stad die nu Kashiwazaki heet, in de prefectuur Niigata, Japan. Hij werd op zesjarige leeftijd geadopteerd in de familie Makiguchi en verhuisde op dertienjarige leeftijd naar Otaru, Hokkaidō.

1889: Makiguchi gaat naar de Hokkaidō Normal School (voorloper van de Hokkaido University of Education) in Sapporo. Na zijn afstuderen begon hij les te geven op de aangesloten basisschool van de Normale School.

1893: Makiguchi veranderde zijn voornaam in Tsunesaburō.

1900 (11 februari): Toda Jōsei, tweede president van Sōka Gakkai (Value Creation Study Association), werd geboren als Toda Jin'ichi in de prefectuur Ishikawa. Twee jaar later verhuisde hij met zijn gezin naar Ishikari, Hokkaido.

1901 (april): Makiguchi verhuisde met zijn vrouw en kinderen van Sapporo naar Tokio.

1903 (oktober 15): Makiguchi publiceerde zijn eerste grote boek, Aardrijkskunde van het menselijk leven(Jinsei chirigaku ).

1910: Makiguchi werd lid van de Kyōdokai (Home Town Association).

1917: Toda behaalde een lesvergunning voor de basisschool en begon les te geven op de Mayachi Elementary School in Yūbari, Hokkaido.

1920: Toda bezocht Makiguchi toen hij naar Tokio verhuisde. Makiguchi hielp Toda om een ​​baan te krijgen als leraar op de basisschool in de keizerlijke hoofdstad, en de twee begonnen een levenslange mentor-discipel relatie.

1922 (december): Toda stopte met lesgeven op de Mikasa Elementary School en verliet daarna het beroep.

1923: Toda richtte een privéacademie op genaamd Jishū Gakkan die was gewijd aan het voorbereiden van basisschoolleerlingen op toelatingsexamens voor de middelbare school; De pedagogie van de academie was gebaseerd op Makiguchi's theorieën over pragmatisch onderwijs. Toda veranderde zijn voornaam in Jōgai ("buiten het fort").

1928 (januari 2): Ikeda Daisaku (oorspronkelijk Taisaku) werd geboren in wat nu de Ōmori-wijk van Ōta Ward, Tokio is.

1928 (juni): Makiguchi werd overtuigd door collega-basisschoolonderwijzer Mitani Sōkei om zich te wijden aan het Nichiren Shōshū-boeddhisme. Toda volgde later het voorbeeld van zijn mentor.

1930 (november 18): Makiguchi publiceerde deel één van Sōka kyōikugaku taikei ( System of Value-Creating Educational Study ); Toda hield toezicht op de publicatie van deze tekst en stelde de term voor Sōka, of 'waardecreatie', als titel voor Makiguchi's onderwijstheorieën. Deze publicatiedatum is vervolgens herdacht als het oprichtingsmoment van Sōka Gakkai.

1932: Makiguchi ging met pensioen.

1935: Makiguchi en Toda begonnen met het uitgeven van het tijdschrift Shinkyo (Nieuwe leringen), die de naamregel "opvoedingsrevolutie, religieuze revolutie" droeg (kyōiku kakumei / shūkyō kakumei ).

1937 (27 januari): de inaugurele formele bijeenkomst van Sōka Kyōiku Gakkai werd bijeengeroepen in een restaurant in Tokio .

1940: De Japanse regering voerde de wet op religieuze corporaties in en Sōka Kyōiku Gakkai kwam onder strengere controle van de Speciale Hogere Politie. Desondanks wijdden Makiguchi en andere Gakkai-leiders de volgende jaren aan het organiseren van honderden studiebijeenkomsten en het enthousiast deelnemen aan shakubuku, de vorm van bekering gepromoot binnen de Nichiren Shōshū-traditie. Nadat Gakkai-aanhangers begonnen te werken shakubuku in ernst groeide de organisatie tot meer dan vijfduizend geregistreerde leden van 1943.

1940 (20 oktober): Makiguchi werd benoemd tot de eerste president van Sōka Kyōiku Gakkai en Toda tot algemeen directeur.

1941 (20 juni): Sōka Kyōiku Gakkai lanceert een nieuw tijdschrift met de titel Kachi sōzō (Waardecreatie).

1942 (10 mei): de Japanse regering eindigde Kachi sōzō publicatie in zijn negende nummer.

1943 (juli 6): Makiguchi, Toda en negentien andere Gakkai-leiders werden op meerdere locaties gearresteerd tijdens een gecoördineerde politie-inval. Ze werden beschuldigd van het overtreden van de vredesbeschermingswet en werden daarna vastgehouden in de Sugamo-gevangenis in Tokio. Makiguchi en Toda waren de enige twee leiders die weigerden hun veroordeling te herroepen.

1944 (november 18): Makiguchi Tsunesaburō stierf aan ondervoeding op de ziekenhuisafdeling van de Sugamo-gevangenis.

1944 (november 18): Toda, na maanden van intensieve studie van de Lotus Sūtra en het chanten van de Lotus 's titel namu-myoho-renge-kyo (De daimoku) miljoenen keren een visie meegemaakt waarin hij zich aansloot bij de ontelbare Bodhisattva's van de aarde (jiyu no bosatsu).

1945 (juli 3): Toda werd voorwaardelijk vrijgelaten, slechts een paar weken voordat Japan zich op 15 augustus overgaf aan de geallieerde troepen. Hij veranderde zijn voornaam van Jōgai in Jōsei ("heilig fort") en begon met het opnieuw bijeenroepen van de Gakkai.

1946 (maart): Toda veranderde de naam van de organisatie van Sōka Kyōiku Gakkai in Sōka Gakkai (Value Creation Study Association). De pas hervormde groep kwam bijeen op de tweede verdieping van Toda's uitgeverij en afstandsonderwijsbedrijf Nihon Shōgakkan.

1946 (1 mei): Toda werd benoemd tot algemeen directeur van Sōka Gakkai.

1947 (14 augustus): Ikeda vergezelde een vriend naar een studiebijeenkomst van Sōka Gakkai; hij sloot zich tien dagen later aan bij de groep.

1949 (3 januari): Ikeda begon te werken bij Nihon Shōgakkan.

1950 (november 12): Toda nam ontslag als algemeen directeur van Sōka Gakkai.

1951 (4 april): de eerste editie van het Seikyō shinbun (Holy Teaching Newspaper), het tijdschrift dat het belangrijkste mediakanaal van Sōka Gakkai zou worden, werd gepubliceerd.

1951 (mei 3): Toda accepteerde de benoeming tot tweede president van Sōka Gakkai tijdens een bijeenkomst van ongeveer 1,500 leden.

1951 (mei): de lancering van de Grote Mars van Shakubuku (shakubuku daikōshin) die Sōka Gakkai van relatieve onbekendheid naar de grootste nieuwe religieuze beweging van Japan zag stijgen.

1951 (18 november): de eerste editie van de Shakubuku-doctrinehandboek (Shakubuku kyōten) werd gepubliceerd, een boek dat, voor de volgende negentien jaar, Gakkai-leden uitleg gaf over Nichiren-boeddhistische concepten en argumenten om te gebruiken tegen 'valse sekten' in de loop van de bekering.

1952 (27 april): het 'Tanuki-festival', een incident waarbij een groep leden van de Young Men's Division op bedevaart naar de Nichiren Shōshū-hoofdtempel Taisekiji een Shōshū-priester, Ogasawara Jimon, in beslag nam.

1952 (28 april): de eerste editie van het Nieuwe editie van de complete werken van de grote wijze Nichiren ( Shinpen Nichiren Daishōnin gosho zenshū) werd uitgebracht. Bekend als de Gosho zenshū of gewoon de Gosho, een eendelige verzameling van Nichiren's geschriften die nog steeds dient als de belangrijkste bron van de organisatie voor haar boeddhistische praktijk. Het werd gepubliceerd op een datum waarop Nichiren's eerste gezang van namu-myoho-renge-kyo (De daimoku) zevenhonderd jaar eerder.

1953 (2 januari): Ikeda wordt benoemd tot leider van de jonge herenafdeling.

1953 (november 25): Ikeda veranderde zijn voornaam in Daisaku.

1953: Sōka Gakkai begon met het houden van schriftelijke en mondelinge "afspraak examens" (nin'yō shiken) om jeugdleiders op Nichiren boeddhistische doctrinaire kennis te testen.

1954 (31 oktober): Toda bekeek tienduizend leden van de Young Men's and Young Women's Division in Taisekiji vanaf een wit paard.

1954 (november 7): de jeugdafdeling hield zijn eerste sportcompetitie op het terrein van de Nihon-universiteit in Tokio; dit evenement stond model voor Sōka Gakkai's volgende massale optredens.

1954 (22 november): Sōka Gakkai richtte een Cultuurafdeling (Bunkabu) op, een suborganisatie die zich voornamelijk toelegt op het selecteren van kandidaten voor verkiezingen en het mobiliseren van leden om stemmen te verzamelen.

1954 (december 13): Ikeda werd benoemd tot Public Relations Director van Sōka Gakkai.

955 (11 maart): in een evenement dat bekend staat als het "Otaru-debat" (Otaru montō), daagden leden van de studieafdeling van Sōka Gakkai priesters uit de Minobu-sekte van het Nichiren-boeddhisme uit tot een leerstellig debat.

1955 (april 3): leden van de cultuurafdeling van Sōka Gakkai wonnen verkiezingen in gemeenteraden in de wijken van Tokio en in andere gemeenten; dit was de eerste keer dat Sōka Gakkai zijn eigen kandidaten voor het kantoor had.

1955: Tegen het einde van dit jaar claimde Sōka Gakkai 300,000 huishoudens met leden.

1956 (8 juli): Sōka Gakkai stelde zes onafhankelijke kandidaten aan voor verkiezing in het Huis van Raadsleden (Eerste Kamer); drie werden gekozen.

1956 (1 augustus): Toda publiceerde een essay met de titel "On the Harmonious Union of Government and Buddhism" (Ōbutsu myōgō ron) in het studiemagazine van Gakkai Daibyaku hernam (Grote witte lotus).

1957 (juni): Gakkai-leden botsten met filialen van Tanrō, een vakbond voor mijnwerkers in Yūbari, Hokkaidō, in conflicten over verkiezingsactiviteiten en collectieve onderhandelingen.

1957 (3 juli): het begin van een evenement dat werd herdacht als het "Osaka Incident". Ikeda Daisaku werd in Osaka gearresteerd in zijn hoedanigheid van stafchef van de jeugdafdeling van Sōka Gakkai vanwege het toezicht op activiteiten die een schending van de kieswet vormden.

1957 (8 september): Toda vaardigde een "Verklaring voor het verbod op de waterstofbom" uit, waarin hij opriep tot de doodstraf als straf voor slechte mensen die dit wapen gebruiken.

1957 (december): Sōka Gakkai overtrof het gestelde doel van Toda Jōsei van 750,000 bekeerde huishoudens.

1958 (april 2): ​​Toda Jōsei stierf aan een leverziekte. Tegen de tijd van Toda's dood claimde Sōka Gakkai meer dan een miljoen aanhangende huishoudens.

1958 (juni 30): Ikeda werd benoemd tot hoofd van de nieuw georganiseerde bureaucratische hiërarchie van Sōka Gakkai en bekleedde de functie van General Manager.

1958 (23 september): 70,000 Gakkai-aanhangers verzamelden zich in het Gaien National Stadium in Tokio om 3,000 medeleden te zien optreden in de vijfde sportcompetitie van de organisatie.

1959 (30 juni): Ikeda werd benoemd tot hoofd van de raad van bestuur van Sōka Gakkai.

1960 (mei 3): Ikeda Daisaku werd benoemd tot derde president van Sōka Gakkai.

1960 (oktober 2): Ikeda vertrok met collega-Gakkai-leiders voor een bezoek aan de Verenigde Staten, Canada en Brazilië, waarmee de verspreiding van Sōka Gakkai officieel werd ingehuldigd tot een wereldwijde onderneming. Deze greep werd gevolgd door reizen naar Azië, Europa, het Midden-Oosten, Australië, India en andere plaatsen in de daaropvolgende jaren.

1961 (november 27): Sōka Gakkai vormde de Clean Government League (Kōmei Seiji Renmei), die in januari 1962 met succes negen kandidaten voor het Huis van Raadsleden organiseerde.

1962 (2 april): de eerste editie van Kōmei shinbun werd uitgebracht; deze krant werd de belangrijkste media-uitlaatklep voor politieke operaties.

1963 (18 oktober): Sōka Gakkai's Min-on Concert Association werd opgericht; het sponsorde duizenden artistieke uitvoeringen in de daaropvolgende jaren.

1964 (mei 3): Ikeda schafte de politieke onderverdelingen binnen Sōka Gakkai af en verklaarde dat de groep voortaan een puur religieuze organisatie zou zijn. Sōka Gakkai claimde nu meer dan 3.8 miljoen huishoudens van leden.

1964 (november 8): Honderdduizend Gakkai-leden namen deel aan een Cultuurfestival ( bunkasai ) in het National Stadium in Sendagaya, Tokio. Sōka Gakkai organiseerde in de daaropvolgende jaren nog tal van andere enorme cultuurfestivals.

1964 (november 17): Ikeda kondigde de ontbinding aan van Kōmei Seiji Renmei en de oprichting van de “Clean Government Party” (Kōmeitō).

1965 (januari):  Seikyō shinbun begon het dragen van seriële afleveringen van De menselijke revolutie ( Ningen kakumei ), de romanversie van de geschiedenis van Sōka Gakkai en de biografie van Ikeda Daisaku die leden als een essentiële tekst gingen beschouwen.

1965 (oktober): tussen 9 en 12 oktober droegen acht miljoen leden in Japan meer dan 35.5 miljard yen bij aan de bouw van de Shōhondō, een enorme nieuwe hal die in Taisekiji moet worden gebouwd om de daigohonzon , de kalligrafische mandala die dient als het primaire object van aanbidding van Sōka Gakkai en Nichiren Shōshū.

1967 (29 januari): Vijfentwintig Kōmeitō-kandidaten werden verkozen in de Tweede Kamer (Tweede Kamer).

1968 (april 1): Junior en Senior High Schools (Sōka Gakuen) werden opgericht in Tokio en markeerden het begin van het particuliere geaccrediteerde schoolsysteem van Sōka Gakkai.

1969 (oktober 19): Sōka Gakkai lanceerde de New Student Alliance (Shin Gakusei Undō) als antwoord op de studentenbeweging die protesteerde tegen de verlenging van het VS-Japan-veiligheidsverdrag. 70,000 leden van de Gakkai's Student Division verzamelden zich in het Yoyogipark in Tokio.

1969 (november): evenementen die bekend werden als de genron shuppan bōgai mondai , of "probleem met het belemmeren van de vrijheid van meningsuiting en de pers" omringende pogingen van Kōmeitō en bondgenoten om publicatie van het boek te voorkomen Ik weiger Sōka Gakkai.

1969 (december 28): Zevenenveertig Kōmeitō-kandidaten werden verkozen in de Tweede Kamer en Kōmeitō kreeg iets meer dan 10 procent van de populaire stemmen. Het was nu de derde grootste partij in het Japanse dieet.

1970 (januari): Sōka Gakkai claimde 7.55 miljoen huishoudens van leden.

1970 (3 mei): in de nasleep van de Ik weiger Sōka Gakkai schandaal, Ikeda Daisaku heeft de officiële scheiding aangekondigd tussen Sōka Gakkai en Kōmeitō en een nieuw Gakkai-beleid van seikyō bunri of 'scheiding van politiek en religie'.

1971 (april 2): ​​Sōka University geopend in Hachiōji, westelijk Tokio.

1971 (juni 15): Takeiri Yoshikatsu, hoofd van Kōmeitō, vergezelde premier Tanaka Kakuei naar de Volksrepubliek China als onderdeel van een missie die de normalisering van de diplomatieke betrekkingen tussen China en Japan inluidde.

1972 (mei 5): Ikeda ontmoette voor het eerst de Britse historicus Arnold J. Toynbee in de eerste van honderden dialogen met prominente figuren. Het "dialoog" -formaat werd na dit punt een centraal kenmerk van de Gakkai-media en propagatie-inspanningen.

1972 (oktober): Sōka Gakkai en Nichiren Shōshū vierden de opening van de Shōhondō, een enorme moderne hal in Taisekiji die plaats kon bieden aan meer dan zesduizend gelovigen.

1973 (3 mei): Fuji Art Museum geopend in Shizuoka; verhuisde later naar Hachiōji, naast de Sōka University, en werd omgedoopt tot Tokyo Fuji Art Museum.

1974 (december 5): Ikeda ontmoette premier Zhou Enlai in Peking.

1975 (26 januari): Soka Gakkai International (SGI) werd opgericht tijdens een Wereldvredesconferentie in Guam, en Ikeda Daisaku werd uitgeroepen tot SGI-president.

1976 (maart): de tabloid Gekkan-pen (Monthy Pen) begon met het publiceren van een reeks artikelen waarin hij beweerde dat er contacten waren tussen Ikeda en zes vrouwen, onder wie topleiders van de Women's Division. Sōka Gakkai klaagde aan wegens laster en de rechtbank van Tokio oordeelde in haar voordeel.

1977 (oktober): Sōka Gakkai opende Toda Memorial Park, het eerste graf buiten een Nichiren Shōshū-tempel en de eerste van dertien enorme mortuariumfaciliteiten die de groep in Japan heeft gebouwd. De concurrentie voor de graven van Gakkai-leden begon te escaleren tussen Sōka Gakkai en Nichiren Shōshū.

1977: Het eerste grote conflict tussen Ikeda Daisaku en het Nichiren Shōshū-priesterschap vond plaats.

1978 (30 juni): Sōka Gakkai heeft een verklaring afgegeven in de Seikyō shinbun bevestigend dat Nichiren Shōshū priesterlijke afstamming beweert.

1978 (november 7): Ikeda leidde tweeduizend Gakkai-beheerders naar Taisekiji op een "verontschuldigingsbedevaart" (Owabi Tōzan).

1979: De Jeugdafdeling richtte een Vredesconferentie op, en de Getrouwde Vrouwendivisie en andere subgroepen volgden al snel met soortgelijke initiatieven. Wereldvrede, die sinds het begin van de jaren zestig binnen Sōka Gakkai een leidend thema was, werd vanaf dit tijdperk een centrale organisatorische zorg.

1979 (april 24): Ikeda nam ontslag als derde president van Sōka Gakkai. Hij nam de functie van erevoorzitter over en behield zijn functie als voorzitter van de SGI. Hij bleef ongeveer een jaar onopvallend. Hōjō Hiroshi werd ingehuldigd als de vierde president van Sōka Gakkai.

1981 (april): Sōka Gakkai registreerde zich als een ngo (niet-gouvernementele organisatie) bij de Hoge Commissaris voor Vluchtelingen van de Verenigde Naties (UNHCR).

1981 (juli 18): Akiya Einosuke werd benoemd tot vijfde president van Sōka Gakkai.

1983 (25 januari): Ikeda bracht zijn eerste jaarlijkse "Peace Proposal" uit

1984 (januari 2): Ikeda werd herbenoemd als de belangrijkste lekenvertegenwoordiger van Nichiren Shōshū door de chef-abt Abe Nikken van de Shōshū.

1984 (29 en 30 september): het World Youth Culture Festival werd gehouden in het Kōshien Stadium in Osaka.

1990 (december): het tweede grote conflict tussen Ikeda Daisaku en het Nichiren Shōshū-priesterschap vond plaats. De bitterheid tussen het Shōshū-priesterschap en het Sōka Gakkai-leiderschap brak uit in een reeks missies tussen de twee kampen.

1991: Het conflict tussen de priesterschap en de leiders van Sōka Gakkai escaleerde.

1991 (november 28): als laatste stap vaardigde de priesterschap een "Bericht van excommunicatie van Sōka Gakkai en Nichiren Shōshū" uit. Voortaan moesten parochianen die sektetempels wilden binnengaan, inclusief de hoofdtempel Taisekiji, beloven dat ze niet verbonden waren met Sōka Gakkai. Gakkai-leden werden voortaan uitgesloten van bedevaarten naar hun voornaamste doel van aanbidding.

1992 (11 augustus): Nichiren Shōshū vaardigde een specifiek edict uit waarin Ikeda Daisaku werd geëxcommuniceerd.

1993 (oktober 2): Sōka Gakkai begon voorwerpen van aanbidding te verlenen ( Gohonzon ) replica 's gemaakt van een transcriptie van de daigohonzon mandala ingeschreven door de Shōshū Chief Abbot Nichikan in 1720. Gakkai-leden kregen de opdracht om hun oude in te leveren Gohonzon en ontvang nieuwe direct van Sōka Gakkai.

1995 (januari): als reactie op de aardbeving van Hanshin Awaji op 17 januari die de stad Kobe en de omliggende regio verwoestte, opende Sōka Gakkai tien cultuurcentra voor vluchtelingen, mobiliseerde duizenden ledenvrijwilligers en verzamelde meer dan 230 miljoen yen aan noodfondsen.

1998 (mei): Nichiren Shōshū vernietigde de Shōhondō in Taisekiji.

1999 (oktober 5): Kōmeitō, nu New Kōmeitō na decennia van politieke veranderingen, gaat een coalitie aan met de Liberale Democratische Partij (LDP). Kōmeitō bleef tot 2009 verbonden met de LDP in de regering, en de coalitie LDP-Kōmeitō werd in december 2012 herkozen.

2001 (mei 3): Soka University of America geopend in Aliso Viejo, Californië.

2002 (april): Sōka Gakkai heeft nieuwe institutionele voorschriften uitgevaardigd.

2006 (november 9): Harada Minoru werd benoemd tot zesde president van Sōka Gakkai.

2011 (maart): in de nasleep van de aardbeving, tsunami en nucleaire rampen van 11 maart die het noordoosten van Japan verwoestten, huisvestte Sōka Gakkai meer dan 5,000 vluchtelingen in cultuurcentra in de hele regio, verzamelde honderden miljoenen yen aan noodhulp, en mobiliseerde duizenden vrijwilligers uit heel Japan om deel te nemen aan zowel korte- als langetermijninitiatieven voor redding en noodhulp.

2013 (november 18): Sōka Gakkai heeft officieel zijn nieuwe algemene hoofdkantoor geopend in Shinanomachi, Tokio. De organisatie claimt nu 8.27 miljoen huishoudens van leden en Soka Gakkai International claimt meer dan 1.5 miljoen leden in 192 landen buiten Japan.

OPSCHRIFT / GROEP GESCHIEDENIS

Sōka Gakkai kan worden omschreven als de meest succesvolle nieuwe religieuze beweging van Japan. De groep claimt 8.27 miljoen aanhangende huishoudens in Japan, en meer dan 1.5 miljoen leden in 192 andere landen onder haar overzeese overkoepelende organisatie Soka Gakkai International, of SGI. Deze cijfers zijn hoog, maar statistische enquêtes die de afgelopen decennia zijn uitgevoerd, geven aan dat tussen ongeveer twee en drie procent van de Japanse bevolking zichzelf identificeert als behorend tot Sōka Gakkai (McLaughlin 2009; Roemer 2009). Hiermee is de organisatie de grootste actieve religieuze groep van het land. Geen enkele op een tempel gebaseerde boeddhistische groep, Shintō-organisatie of andere nieuwe religieuze groep komt overeen met het vermogen van Sōka Gakkai om aanhangers te mobiliseren ter wille van bekering, verkiezing en andere activiteiten.

De geschiedenis van Sōka Gakkai onderscheidt het van veel nieuwe Japanse religieuze bewegingen. Ten eerste, zoals de naam Sōka Gakkai, of “Value Creation Study Association” suggereert, begon de groep niet als een religie, maar werd ze opgericht als een onderwijshervormingsvereniging. Ten tweede had Sōka Gakkai in feite drie afzonderlijke stichtingen, elk onder de eerste drie presidenten: Makiguchi Tsunesaburō (1871-1944), Toda Jōsei (1900-1944) en Ikeda Daisaku (1928-). Elk van deze oprichters hield toezicht op een nieuw tijdperk van institutionele veranderingen.

Sōka Gakkai beweert zijn moment van oprichting als November 18, 1930, toen de eerste president Makiguchi Tsunesaburō de eerste publiceerdevolume van zijn verzamelde essays, System of Value-Creating Educational Study ( Sōka kyōikugaku taikei ), wat het begin markeert van de Value Creation Education Study Association (Sōka Kyōiku Gakkai), de voorganger van Sōka Gakkai. Makiguchi werd geboren in 1871 in wat nu de prefectuur Niigata in het noordoosten van Japan is, maar hij verhuisde op dertienjarige leeftijd naar het noordelijke eiland Hokkaido, waar hij opgroeide en uiteindelijk werd opgeleid als leraar op een basisschool. In 1901 verhuisde hij met zijn vrouw en kinderen van de stad Sapporo in Hokkaido naar Tokio, waar hij begon aan een carrière als docent op een reeks basisscholen in Tokio. Hij werkte ook samen met intellectuelen die zich bezighielden met onderwijshervorming terwijl hij boeken en essays publiceerde. Vanaf 1910 trad Makiguchi toe tot de Kyōdokai, of Home Town Association, een onderzoeksgroep die zich bezighoudt met etnologie en onderzoek naar de lokale cultuur op het platteland; de groep bestond uit de beroemde folklorist Yanagita Kunio (1875-1962) en de internationaal vermaarde opvoeder Nitobe Inazō (1862-1933). Dankzij wetenschappelijke betrokkenheid in deze kringen en door zijn eigen onderzoek, werden Makiguchi's ideeën beïnvloed door educatieve en filosofische trends, waaronder het neokantiaanse denken en pragmatisme, die rond de eeuwwisseling van Europa en de Verenigde Staten naar Japan trokken.

In november publiceerde 18, 1930, Makiguchi Deel 1 van System of Value-Creating Educational Study ( Sōka kyōikugaku taikei ). Toen Makiguchi zijn essays over onderwijshervorming in dit deel samenstelde, begon hij een proces van samenvatten van een leven van studiebeurs, en zijn interesses gingen daarna in de richting van religie. In 1928 bekeerde Makiguchi zich tot het Nichiren Shōshū-boeddhisme. Nichiren Shōshū, oftewel "Nichiren True Sect", volgt de leer van Nichiren (1222-1282), een middeleeuwse boeddhistische hervormer. Opgeleid voornamelijk in de Tendai-traditie, Nichiren brak weg van de gevestigde tempels om te prediken dat alleen het geloof in de Lotus Sūtra , beschouwd als de laatste leer van de historische Boeddha Śākyamuni, en de praktijk van het chanten van de titel van de lotus in de formule met zeven lettergrepen namu-myoho-renge-kyo waren effectieve middelen om verlossing te bereiken in de gedegradeerde laatste dagen van de Boeddha's Dharma ( Mappo ) (zie hieronder).

In 1932 stopte Makiguchi met schoolonderwijs en hij draaide zich daarna om naar geconcentreerde studie en beoefening van het Nichiren Shōshū-boeddhisme. Sōka Kyōiku Gakkai begon formeel te vergaderen vanuit 1937, en door de 1940s richtten Makiguchi en de organisatie die hij oprichtte, die ongeveer vijfduizend leden op zijn hoogtepunt claimde, zich vastbesloten vast op het verdedigen van de boeddhistische principes van Nichiren. Van 1941 lanceerde Sōka Kyōiku Gakkai een tijdschrift met de titel Waardecreatie (Kachi sōzō). Dit kortstondige tijdschrift bevatte verschillende artikelen van Makiguchi waarin hij het religieuze beleid van de Japanse regering rechtstreeks aanvecht. De Japanse regering eindigde Kachi sōzō publicatie van het negende nummer; Makiguchi protesteerde tegen de beslissing van de regering in een kort artikel getiteld "An Address on the Discontinuation of Publication."

Op 27 juni 1943 werden Makiguchi en andere Gakkai-leiders door het Nichiren Shōshū-priesterschap opgeroepen naar het hoofdkwartier van de sekte in de tempel Taisekiji. Ze werden aangespoord om zich te houden aan de dictaten van de wet op religieuze corporaties en de Japanse Shintō-bevelen in oorlogstijd door Sōka Kyōiku Gakkai-aanhangers te instrueren om talismannen te verankeren ( kamifuda ) van de Grand Shrine in Ise, ondanks het feit dat de praktijk een schending van het Nichiren-boeddhisme inhield. Makiguchi weigerde dit te doen. In juli werden 6, Makiguchi, zijn leerling Toda en negentien andere Gakkai-leiders gearresteerd op beschuldiging van het overtreden van de vredesbewaringswet. Ze werden beschuldigd van het overtreden van de vredesbewaringswet en daarna gevangengezet in de Sugamo-gevangenis in Tokio. Makiguchi stierf in november aan ondervoeding, 18 en 1944.

Makiguchi's leerling Toda Jōsei was, net als zijn mentor, geboren in het noorden van Japan, opgegroeid in armoede op het noordelijke eiland Hokkaidō, en begaf zich naar de keizerlijke hoofdstad om zijn fortuin in het onderwijs na te jagen. Zelfs nadat hij eind 1922 het lerarenberoep had verlaten, bleef Toda zijn mentor Makiguchi verschuldigd, en hij schreef zijn latere succes in het bedrijfsleven toe aan Makiguchi's leringen. Alleen Toda toonde absolute toewijding aan Makiguchi door te weigeren te buigen voor de druk van de Japanse staat om zijn overtuigingen van Nichiren Shōshū te herroepen. Terwijl hij in de gevangenis zat, ervoer Toda een visioen waarin hij zich bij de ontelbare bodhisattva's van de aarde voegde ( jiyu no bosatsu ) bij Vulture Peak waar de Boeddha Śākyamuni de Lotus Sūtra . Hij interpreteerde deze openbaring als een bewustwording van de heilige taak om de missie van zijn meester Makiguchi voort te zetten om het Nichiren Shōshū-boeddhisme te propageren.

Na zijn vrijlating uit de gevangenis in juli 1945, weken voor het einde van de Tweede Wereldoorlog, wijdde Toda zich aan het hervatten van Makiguchi's religieuze missie. Hij is verantwoordelijk voor het omvormen van de groep van een klein collectief naar een religieuze massabeweging. In 1946 stopte hij met "onderwijs" (Kyoiku) uit de titel, waarbij de naam van de groep wordt gewijzigd in Sōka Gakkai. De hervormde groep kwam aanvankelijk bijeen op de tweede verdieping van Toda's uitgeverij en afstandsonderwijsbedrijf Nihon Shōgakkan. Op 1 mei 1946 werd Toda benoemd tot algemeen directeur van Sōka Gakkai. Terwijl hij doorging met het opzetten van zakelijke ondernemingen, begon hij regelmatig Gakkai-studiebijeenkomsten te houden (genaamd zadankai , of “studie rondetafelgesprekken”) en het organiseren van een groeiend aantal nieuwe bekeerlingen onder de zich ontwikkelende administratieve leiding van de groep. De tumultueuze economie van Japan veroorzaakte problemen voor de bedrijven van Toda en op 12 november 1950 nam Toda ontslag als algemeen directeur van Sōka Gakkai, waarbij hij zijn zakelijke mislukkingen aanhaalde als bewijs van vergelding voor het niet volledig inzetten voor de wederopbouw van de organisatie van zijn mentor Makiguchi. De groep, die tot nu toe een langzame maar gestage groei had doorgemaakt, begon zich te organiseren met het oog op radicale expansie.

Op 3 mei 1951 accepteerde Toda de benoeming tot tweede president van Sōka Gakkai. Bij zijn inauguratie daagde Toda de aanhangers van de Gakkai uit om zevenhonderdvijftigduizend families voor zijn dood tot Sōka Gakkai te bekeren: "Als dit doel niet wordt bereikt terwijl ik leef," verklaarde hij, "houd dan geen begrafenis voor mij. Dump gewoon mijn stoffelijk overschot in de baai van Shinagawa. " De groep ontwikkelde al snel een algemeen bekende reputatie voor agressieve bekering en de harde veroordeling van rivaliserende religies. Deze tactieken hadden succes: vanaf 1951 groeide Sōka Gakkai van een paar duizend leden tot meer dan een miljoen aanhangende huishoudens tegen het einde van het decennium. De meerderheid van de mensen die zich in de onmiddellijke naoorlogse jaren bij de groep voegden, waren enkele van de miljoenen die de Japanse steden overspoelden op zoek naar materiële zekerheid, sociale infrastructuur en spirituele zekerheid. Toda vertrouwde op de structuur van de organisatie als studievereniging (Gakkai) naar schoolbekeerlingen in de boeddhistische leer van Nichiren en trekken rechteloze mensen naar Sōka Gakkai's legitimerende raamwerk van gestandaardiseerd onderwijs. Hij vertrouwde ook op de oorspronkelijke nadruk van de groep op pragmatisch denken om praktische voordelen te benadrukken. Toda vergeleek Nichirens belangrijkste doel van aanbidding met een "geluk-producerende machine" die de gebruiker eindeloze mogelijkheden biedt, en hij organiseerde bekeerlingen tot efficiënte kaders die meedogenloos overtuigende tactieken gebruikten om "valse sekten" (rivaliserende religies) te bestrijden in hun bekeringsinspanningen. Bekeerlingen genoten een hernieuwd gevoel van eigenwaarde omdat ze de taak kregen niet alleen de boeddhistische leer van Nichiren onder de knie te krijgen, maar deze ook aan anderen te onderwijzen. Leden combineerden hun studie van Nichiren en de Lotus met discussies over waarde, ethiek en pragmatische evaluatie die Toda heeft afgeleid van Makiguchi, evenals de canon van moderne filosofie en wereldliteratuur.

De hard-sell-aanpak van Sōka Gakkai zorgde voor een stroom van nieuwe bekeerlingen, maar de agressieve aanpak leverde de groep ook een negatief imago op, vooral in de nasleep van verschillende schandalen. Een van de meest beruchte evenementen werd bekend als het "Ogasawara-incident" of het "Tanuki-festival (wasbeerhond)". Op 27 april 1952, tijdens rituelen ter gelegenheid van de zevenhonderdste verjaardag van Nichirens eerste chanten van namu-myoho-renge-kyo, een groep leden van de Young Men's Division op bedevaart naar de Nichiren Shōshū-hoofdtempel Taisekiji greep een Shōshū-priester genaamd Ogasawara Jimon. Ogasawara had tijdens de oorlog een controversieel plan gepromoot (een plan waar Sōka Kyōiku Gakkai en de Shōshū-leiding tegen waren) om alle Nichiren-sekten samen te voegen tot één natiebevorderende denominatie. Hij werd door Toda en de Gakkai-jeugdleden ervan beschuldigd de autoriteiten in oorlogstijd te waarschuwen voor Makiguchi's weigering om het State Shintō-protocol te volgen, en kreeg de schuld van de arrestatie van de Gakkai-leiders en de daaruit voortvloeiende dood van Makiguchi. De Gakkai-jeugd trok Ogasawara zijn gewaad uit, paradeerde met hem rond het Taisekiji-terrein, hing een bord aan zijn nek met de uitdrukking 'tanuki-monnik' (hem associërend met de tanuki, een dier dat in de Japanse volkstraditie verschijnt als een vormveranderende bedrieger ), en bracht hem naar het graf van Makiguchi, waar hij werd gedwongen een voorbereide schriftelijke verontschuldiging te ondertekenen. Verslagen van dit incident in de populaire pers creëerden een negatief publiek imago voor Sōka Gakkai, een beeld dat de publieke opinie over de organisatie in Japan permanent ging bepalen.

Sōka Gakkai's reputatie voor agressief gedrag werd versterkt na een andere controversiële gebeurtenis die bekend staat als het "Otaru-debat", toen leden van de studieafdeling van Sōka Gakkai priesters van de Minobu-sekte van het Nichiren-boeddhisme uitdaagden voor een leerstellig debat. Het evenement werd gehouden in een zaal in de stad Otaru (Hokkaido) die vol zat met Gakkai-leden, die de priesters uitscholden en hen beschuldigden van heterodoxe eredienst en financiële corruptie. De priesters trokken zich terug en Sōka Gakkai noemde zichzelf de winnaars van het debat. Publicaties die kritiek hadden op Sōka Gakkai door de Nichiren-sekte en andere religieuze organisaties begonnen rond deze tijd in grote aantallen te verschijnen.

Ondanks de groeiende controverse over zijn tactiek, bleef Sōka Gakkai onverminderde groei. Van 1953 begon Sōka Gakkai met het houden van schriftelijke en mondelinge "benoemingstoetsen" (nin'yō shiken) om jeugdleiders te testen op de boeddhistische leerstellige kennis van Nichiren. Het bestuur van de Gakkai in heel Japan breidde zich vanaf rond deze tijd snel uit. Met administratieve expansie kwam expansie buiten de boeddhistische lekenpraktijken. Op 9 mei 1954 richtte de leider van de Gakkai's Young Men's Division, Ikeda Daisaku (1928-), de Gungakutai (Military Band Corps) op, de voorloper van het huidige Music Corps (Ongakutai), waarmee hij interesse toonde in de kunsten die de organisatie zou verdiepen. in latere jaren. De Gungakutai speelde zijn eerste concert in de regen in Taisekiji op 31 oktober 1954, toen Toda tienduizend verzamelde leden van de Young Men's en Young Women's Division beoordeelde terwijl hij op een wit paard reed, een daad die door critici buiten de groep werd beschouwd als een nabootsing van de Japanse oorlogstijd. keizer.

De meest opvallende groei van de Gakkai buiten de lekenboeddhistische focus was uitbreiding naar electorale politiek. Vanaf november 1954 richtte Sōka Gakkai een Cultuurafdeling (Bunkabu) op, een suborganisatie die zich voornamelijk toelegt op het selecteren van kandidaten voor verkiezingen en het mobiliseren van leden om stemmen te verzamelen. Op 3 april 1955 wonnen leden van de Cultuurafdeling van Sōka Gakkai verkiezingen in gemeenteraden in de wijken van Tokio en in andere gemeenten; dit was de eerste keer dat Sōka Gakkai zijn eigen kandidaten voor het kantoor had. Op 1 augustus 1956 publiceerde Toda een essay met de titel "On the Harmonious Union of Government and Buddhism" (Ōbutsu myōgō ron) in het studiemagazine van Gakkai Geweldige witte lotus (Daibyaku hernam), waarin hij verklaarde dat "het enige doel van ons streven naar politiek de oprichting van het nationale wijdingsplatform is (kokuritsu kaidan). " Uitingen van alarm over Sōka Gakkai's uitstapjes naar de politiek op nationaal niveau werden rond deze tijd een media-hoofdbestanddeel in Japan.

De eerste uitstapjes van Sōka Gakkai in de politiek stuitten op conflicten. Op 23 april 1957 werd een groep leden van de Young Men's Division die campagne voerden voor een Gakkai-kandidaat in een tussentijdse verkiezing van de Eerste Kamer in Osaka gearresteerd voor het uitdelen van geld, sigaretten en karamels in de residenties van supporters, in strijd met de kieswet, en in juli. 3 van dat jaar, aan het begin van een evenement dat werd herdacht als het "Osaka-incident", werd Ikeda Daisaku gearresteerd in Osaka. Hij werd in hechtenis genomen in zijn hoedanigheid van stafchef van de jeugdafdeling van Sōka Gakkai vanwege het toezicht op activiteiten die een schending van de kieswet vormden. Hij bracht twee weken in de gevangenis door en verscheen achtenveertig keer voor de rechtbank voordat hij in januari 1962 van alle aanklachten werd vrijgesproken. Sōka Gakkai typeerde dit incident als Ikeda's triomf over corrupte tirannie, en het proces tegen de jonge leider zette Sōka Gakkai-leden aan tot grotere inspanningen op het gebied van bekering en verkiezing.

Tegen de tijd dat Toda Jōsei stierf in april 1958, claimde Sōka Gakkai meer dan een miljoen aanhangende huishoudens, en zijn omvang en politieke invloed dwongen respect af, zelfs van zijn rivalen. Naar schatting 250,000 Gakkai-leden stonden langs de straten van Tokio om Toda's lijkwagen te zien passeren naar zijn officiële begrafenis op 20 april 1957, waar premier Kishi Nobusuke en minister van Onderwijs Matsunaga Tō wierook aanboden aan de overleden leider.

Nadat Toda's leerling Ikeda Daisaku in mei 1960 de functie van derde president van Sōka Gakkai op zich nam, begon hij de groep uit te breiden. van een op Japan gerichte boeddhistische lekenorganisatie tot een internationale onderneming met een breed mandaat in religie, politiek en cultuur. Onder leiding van Ikeda heeft Sōka Gakkai officiële vestigingen opgericht in Azië, Europa, Noord-Amerika, Brazilië en andere delen van de wereld. Onder Ikeda richtte Sōka Gakkai zijn eigen geaccrediteerde privéschoolsysteem op, suborganisaties die zich inzetten voor de ondersteuning van kunst en andere op onderwijs en cultuur gerichte initiatieven.

Sōka Gakkai zette de radicale groei in Japan onder leiding van Ikeda gedurende de jaren zestig voort, aangedreven door de mobilisatie van de organisatie in electorale politiek via haar partij Kōmeitō (opgericht in 1960) en een daarmee samenhangende focus op het doel om een ​​'nationaal ordination platform' op te bouwen (kokuritsu kaidan). Dit platform, een speciale tempelfaciliteit voor wijdingen, moest worden opgericht bij regeringsbesluit om de voltooiing van te markeren Kōsen rufu , geïnterpreteerd door Sōka Gakkai tegen deze tijd om de bekering van een derde van de bevolking van Japan te betekenen. Vanaf het late 1965 concentreerde het lidmaatschap van Gakkai zich op het project van het bouwen van de Shōhondō, een gigantischefaciliteit bij de Nichiren Shōshū hoofd tempel Taisekiji om het huis te huisvesten daigohonzon , de kalligrafische mandala ingeschreven door Nichiren in 1279 die Sōka Gakkai en Nichiren Shōshū dienen als hun primaire doel van aanbidding. De Shōhondō werd tot het einde van het decennium door Shōshū en Gakkai leiders aangeduid als een virtuele realisatie van het "ware wijdingsplatform" (de honmon no kaidan), het markeren van de voltooide taak van het converteren van de bevolking.

De groei vertraagde aan het einde van de 1960s, op een moment dat Sōka Gakkai en Kōmeitō gedwongen werden om officieel te scheiden. Deze officiële splitsing volgde op een schandaal dat begon in november, 1969 op gebeurtenissen die bekend kwamen te staan ​​als het "probleem ten aanzien van het belemmeren van de vrijheid van meningsuiting en de pers" (genron shuppan bōgai mondai ). Fujiwara Hirotatsu (1921-1999), professor aan de Universiteit van Meiji, publiceerde een boek getiteld Ik weiger Sōka Gakkai ( Sōka gakkai o kiru ). Hij beweerde dat pogingen werden ondernomen door vooraanstaande Kōmeitō-politici en de secretaris-generaal van de Liberale Democratische Partij, Tanaka Kakuei (1918-1993, later premier), om publicatie te blokkeren. Persbericht over dit schandaal moedigde de verkoop van Sōka gakkai o kiru en een vloed van negatieve pers voor Sōka Gakkai.

In het kielzog van de Ik weiger Sōka Gakkai schandaal, Ikeda Daisaku kondigde de officiële scheiding aan tussen Sōka Gakkai en Kōmeitō en een nieuw Gakkai-beleid van "scheiding van politiek en religie" (seikyō bunri ). De officiële scheiding van de religie en de politieke partij diende als een keerpunt voor beide organisaties: het lidmaatschap van Sōka Gakkai groeide daarna slechts met kleine bedragen en Kōmeitō leed gedurende het volgende decennium electorale verliezen. Zelfs na de officiële scheiding bleven vrome Gakkai-aanhangers het verkiezingswerk namens Kōmeitō-kandidaten beschouwen als onderdeel van hun reguliere geloofsactiviteiten.

Vanaf het begin van de jaren zeventig stapte Sōka Gakkai af van zijn missie van agressieve expansie ten gunste van het cultiveren van de generatie van kinderen geboren uit bekeerlingen van de eerste generatie in discipelschap onder Ikeda Daisaku. Op 1970 oktober 12, tijdens ceremonies die de opening van de voltooide Shōhondō in Taisekiji markeerden, hield Ikeda een toespraak waarin hij de start aankondigde van Sōka Gakkai's "Phase Two", waarin hij een ommekeer beschrijft van agressieve expansie naar de Gakkai als een internationale beweging die vrede bevordert door vriendschap en culturele uitwisseling.

Sōka Gakkai's officiële aankondiging van een innerlijke wending weerhield kritiek van buiten de groep niet. Vanaf maart 1976 is de tabloid Monthy Pen (Gekkan-pen) begon met het publiceren van een reeks artikelen waarin hij beweerde dat er contacten waren tussen Ikeda en zes vrouwen, onder wie topleiders van de Women's Division. Sōka Gakkai klaagde aan wegens laster, en de rechtbank van Tokio oordeelde in haar voordeel; Gekkan-pen werd gedwongen om een ​​gepubliceerde verontschuldiging uit te brengen, en de uitgever Kumabe Taizō diende een jaar op proef. Een terugkerend patroon van beschuldigingen van tabloid gevolgd door een Gakkai-rechtszaak werd vanaf dit punt een diepgeworteld kenmerk, waardoor het publieke imago van Sōka Gakkai en het 'vrouwenprobleem' (josei mondai) bleef een aanvalshoek die journalisten tot nu toe tegen Ikeda blijven gebruiken.

Van 1977 begon Ikeda openlijk te botsen met het priesterschap van Nichiren Shōshū. Op verschillende plaatsen in dit jaar gaf Ikeda redevoeringen en gepubliceerde essays waarin hij het gezag van het priesterschap van Nichiren Shōshū betwistte. In een van deze, een essay getiteld "Lezing over de erfenis van de ultieme wet van het leven" (Shōji ichidaiji ketsumyakushō kōgi) dat Sōka Gakkai in miljoenen pamfletten is herdrukt, betwistte Ikeda dat Shōshū priesterlijk beweert dat een exclusieve afstammingslijn die teruggaat tot de stichter Nichiren niet superieur was aan banden Gakkai-leden smeden naar de Dharma door te chanten namu-myoho-renge-kyo. Uitgebreide onderhandelingen tussen de twee organisaties leidden ertoe dat Sōka Gakkai de uitspraken van priesterlijke afstammelingen van Nichiren Shōshū bevestigde, en in 1979 werd Ikeda gedwongen af ​​te treden van de post van derde Gakkai-president om de positie van erevoorzitter te nemen.

De afstand tussen Sōka Gakkai en Nichiren Shōshū werd gedurende de jaren tachtig steeds groter en tegen het midden van dat decennium was het Shōshū-priesterschap de ongemakkelijke oudere metgezel van een dynamische internationale organisatie onder leiding van een openbare intellectueel die eerder over de Verlichting van Europese filosofie dan de verlichting beloofd door de boeddhistische leer van Nichiren. In deze jaren werd Sōka Gakkai steeds meer internationaal gericht; bezorgd over wereldvrede, cultuur en onderwijs; gecentreerd op het gezag van Ikeda; en ver verwijderd van de moederorganisatie Nichiren Shōshū.

In 1990 barstte het tweede grote conflict tussen Ikeda Daisaku en het priesterschap Nichiren Shōshū los. Openlijkheid tussen het Shōshū-priesterschap en het leiderschap van Sōka Gakkai escaleerde door een reeks missies tussen de twee kampen. Het priesterschap beklaagde zich over toespraken van Ikeda waarin hij kritiek had op Abe Nikken. Sōka Gakkai reageerde met lijsten van hun eigen zorgen over de behandeling van hun leden door het priesterschap. Vanaf het vroege 1991 begon Sōka Gakkai met het publiceren van artikelen in de Seikyō shinbun die openlijk kritisch waren ten opzichte van Abe Nikken en de organisatie begon begrafenissen te bevorderen geleid door Gakkai-leiders zonder Nichiren Shōshū-priesters. Spanningen tussen de twee leiders bereikten een breekpunt tegen het einde van november, 1991 toen Nichiren Shōshū Sōka Gakkai excommuniceerde; in één dag verdreef de sekte meer dan vijfennegentig procent van zijn parochianen.

Voorkomen dat het zich direct bezighoudt met zijn voornaamste voorwerp van aanbidding dat is verankerd in de Shōshū hoofdtempel, Sōka Gakkai nadat 1991 zijn identiteit bevestigde als een organisatie die volledig aan Ikeda is toevertrouwd. In april heeft 2002, Sōka Gakkai nieuwe institutionele voorschriften uitgevaardigd die stipuleren dat Makiguchi, Toda en Ikeda bekend zullen staan ​​als de sandai kaichō (drie generaties van presidenten), de "eeuwige mentoren" ( eien no shidōsha ) die de beweging heeft opgericht; dat de organisatie het principe van Shitei Funi (de "ondeelbare band van mentor en discipel"); en dat de functie van Sōka Gakkai president puur administratief is. Sōka Gakkai heeft definitief de mogelijkheid om charismatisch leiderschap na Ikeda Daisaku uit te breiden beperkt.

In de afgelopen jaren hebben Gakkai-leden vooral kennis gemaakt met het Nichiren-boeddhisme in de context van Ikeda's geschriften, en toegewijde aanhangers structureren hun leven rond een drukke kalender van grote en kleine Gakkai-evenementen die dienen als herinwijding van hun discipelschap onder de erevoorzitter.

DOCTRINES / OVERTUIGINGEN

Sōka Gakkai wordt vaak gekenmerkt als een lekenbeweging binnen de boeddhistische traditie van Nichiren Shōshū. Zoals de geschetste geschiedenis echter aangeeft, is het veel meer dan een boeddhistische organisatie en is het in plaats daarvan het best te begrijpen als erfgenaam van tweelinglegeringen: (1) een traditie van zelfontplooiing door de beoefening van het Nichiren Shōshū Boeddhisme en (2) intellectuele stromingen die aan het einde van de negentiende tot het begin van de twintigste eeuw bloeiden en Japan, valoriseerden onderwijs, pedagogiek en humanisme, geïnspireerd door de moderne Euro-Amerikaanse filosofie en tradities die onder de algemene rubriek 'cultuur' vallen. Deze twee erfenissen vormen de verplichtingen, expressieve idioom, en combinatie van doctrines en gebruiken die Sōka Gakkai-leden hooghouden.

Leden behouden traditionele boeddhistische praktijken in overeenstemming met de Nichiren Shōshū-traditie. Waaronder:

?? Chanten. Leden laten ochtend- en avondgebeden horen voor hun huisaltaren in een zingende uitvoering genaamd Gongyo, letterlijk "om zich in de praktijk uit te oefenen." Het tweemaal daags gezang omvat hoofdstuk twee, "doelmatige middelen" (Hōben), en secties van hoofdstuk zestien, "Life Span" (Juryō), van de Lotus Sūtra. De Sutra secties worden gevolgd door herhaalde bezweringen van de titel van de Lotus, De zogenaamde daimoku, die uit de zeven lettergrepen bestaat namu-myoho-renge-kyoen door stille gebeden.

?? Eerbied voor de daigohonzon . Dit is het 'grote voorwerp van aanbidding', een kalligrafische mandala waarvan Nichiren op de twaalfde dag van de tiende maand van 1279 schreef, ter wille van de hele mensheid. Het lidmaatschap van Sōka Gakkai wordt bevestigd door de ontvangst van een Gohonzon , een replica van de daigohonzon . Sōka Gakkai's gebrek aan toegang tot de daigohonzon na november 1991 en de productie van de groep sindsdien Gohonzon gebaseerd op een replica geproduceerd in 1720 dragen bij tot de aanhoudende verhitte leerstellige controverses tussen de Gakkai en concurrerende Nichiren-groepen, met name Nichiren Shōshū en de Shōshū-gebaseerde lekenorganisatie Fuji Taisekiji Kenshōkai.

?? Conversie-activiteiten bekend als shakubuku. shakubuku kan worden vertaald als "pauze en onderdanigheid [gehechtheid aan inferieure leringen]." Het werd gepromoot door Nichiren als de enige oefening die geschikt is voor landen, zoals Japan, die het dharma belasteren. De afgelopen decennia heeft Sōka Gakkai, met name de internationale vleugel SGI, een stap verder gezet shakubuku ten gunste van shōju , de bekeringsmethode die wordt gepropageerd in de Nichiren-traditie van zachte overgave door middel van een met redenen omkleed argument. Gewone leden in Japan spreken echter zelden over het converteren van anderen naar Sōka Gakkai in iets anders dan termen van shakubuku hoewel de interpretaties van die term in de vroege jaren na de oorlog meestal zijn verschoven van hard-selltactieken naar minder intense methoden in de afgelopen jaren.

?? De missie van Kōsen rufu , wat vraagt ​​om de verspreiding van de Lotus in de tijd van Mappo, de laatste dag van de Dharma van de Boeddha. De term, die vertaald kan worden als “verklaar en verspreid [de waarheid van de Lotus Sūtra ], "Wordt gebruikt binnen Sōka Gakkai als een middel om activiteiten te beschrijven die de groei van de instelling bevorderen.

?? Geloof dat het huidige tijdperk de laatste dagen is van de Boeddha's Dharma (Mappo). De drie stadia van de geschiedenis in de Oost-Aziatische boeddhistische traditie zijn de eeuwigheid SHoBo , of "echte Dharma"; de leeftijd van ZOHO , of "schijn Dharma"; en de laatste leeftijd van Mappo , naar verluidt begonnen in het jaar 1052. Sōka Gakkai-leden handhaven Nichiren's overtuiging dat het enige middel tot verlossing in Mappo is om de te omhelzen Lotus Sūtra en verwerpen alle andere leringen als onwaar (Stone 1999: 383-84).

?? Eerbied voor Nichiren en zijn geschriften. Volgelingen in de Nichiren Shōshū-traditie, inclusief leden van Sōka Gakkai, beschouwenNichiren als de aardse avatar van de eeuwige of oorspronkelijke Boeddha. Als zodanig worden zijn geschriften door Gakkai-volgelingen beschouwd als een schriftuurlijk gezag dat zelfs dat van de Sutra s van de Boeddha Śākyamuni.

?? Hoewel de focus op deze kwestie aanzienlijk is afgenomen binnen Sōka Gakkai sinds 1970, was de groep erg bezorgd over het realiseren van de finale van Nichiren's Three Great Secret Dharmas (sandai hihō). Dit zijn (1) de honmon no daimoku , de titel van de Lotus , namu-myoho-renge-kyo ; (2) de honmon no honzon, of waar object van aanbidding, de kalligrafische mandala met de daimoku ingeschreven in het midden dat Nichiren bedacht voor zijn volgelingen; en (3) de honmon no kaidanof 'echt wijdingsplatform', een site voor de wijding van geestelijken die het spirituele centrum zou worden voor alle mensen, waarmee het behalen van Kōsen rufu , of de bekering van alle mensen tot exclusieve aanbidding van de Lotus . De eerste twee van de Drie Grote Geheime Dharma's werden door Nichiren zelf bereikt, en de derde bleef eeuwenlang een verheven en afgelegen doel voor de volgelingen van Nichiren, dat wil zeggen totdat Sōka Gakkai in de jaren na de Tweede Wereldoorlog miljoenen bekeerlingen begon aan te trekken. . Toda Jōsei verplaatste Sōka Gakkai in de jaren vijftig naar electorale politiek met het oog op het realiseren van de derde van de drie grote geheime dharma's: het veiligstellen van staatssteun voor de bouw van de honmon no kaidan, bekend in de moderne tijd als de kokuritsu kaidan, of 'nationaal wijdingsplatform', was vereist, volgens het boeddhistische decreet van Nichiren. Sōka Gakkai heeft de. Verlaten kokuritsu kaidan doel nadat het officieel gescheiden was van zijn politieke partij Kōmeitō in 1970.

Hoewel het Nichiren-boeddhisme de kern vormt van de identiteit van Sōka Gakkai als lekenorganisatie, leidt de oprichting van de groep als een onderwijshervormingsbeweging die zich bezighoudt met pedagogie en cultuur het ethos en de activiteiten van de leden. In het bijzonder definiëren de leden zichzelf tegenwoordig als Gakkai-aanhangers in termen van discipelschap onder erevoorzitter Ikeda Daisaku. Ze beschouwen hun praktijk als opererend binnen een affectieve één-op-één relatie met Ikeda, en hoewel ze hem zelden rechtstreeks ontmoeten, moedigen ze elkaar constant aan om een ​​'ondeelbare band van mentor en discipel' te smeden (Shitei Funi) door al hun persoonlijke doelstellingen en prestaties te formuleren als inwijding voor de erevoorzitter.

Leden worden in eerbied voor Ikeda gecultiveerd door voortdurende onderdompeling in Gakkai-media. Maximaal toegewijde Gakkai-leden kunnen de meeste of zelfs al hun informatie via de organisatie ontvangen. Informatie wordt verkregen via bijeenkomsten en satellietuitzendingen die zij bijwonen in de Cultuurcentra en via het dagblad Seikyō shinbun , het studiemagazine Daibyaku hernam , video's geproduceerd door het productiebedrijf Shinano Kikaku en duizenden boeken, tijdschriften, cd's, websites en andere bronnen. Tegenwoordig zullen leden waarschijnlijk de geschriften van Nichiren en de Lotus Sūtra via getranscribeerde toespraken en essays van Ikeda. Cultuurcentra zijn versierd met Ikeda's foto's en afbeeldingen van de historische figuren die hij het meest inspirerend vindt; typisch, afgezien van altaren die de Gohonzon , er is niets traditioneel "boeddhistisch" of zelfs Japans te zien in een Gakkai-gebouw. Ikeda prijst Napoleon, Ludwig van Beethoven, Martin Luther King Jr., de Mahātmā Gandhi en andere historische grootheden die bekend staan ​​om hun transcendente visies in het licht van tegenspoed. Leden worden geïnspireerd om hun eigen leven te modelleren met de voorbeelden van deze heroïsche figuren, en voortdurende onderdompeling in Gakkai-media moedigt hen aan om de biografieën van triomfantelijke historische personages samen te brengen met die van Ikeda. Eerbied voor Ikeda wordt ook gecultiveerd door met name boeken te lezen die door hem zijn geschreven De menselijke revolutie (Ningen kakumei) en het vervolg De nieuwe menselijke revolutie (Shin ningen kakumei), serie-genormaliseerde geschiedenissen van Sōka Gakkai en haar stichtende presidenten die leden beschouwen als bezittende de facto schriftuurlijke autoriteit.

RITUELEN / PRAKTIJKEN

Naast de tweemaal daagse recitatie van secties van de Lotus Sūtra en herhalingen van namu-myoho-renge-kyo , Gakkai-leden deelnemen aan tal van andere activiteiten die deel uitmaken van het rituele leven in de groep. Waaronder:

?? Studiebijeenkomsten: Plaatselijke Gakkai-leden komen bijeen bij leden thuis, niet voor boeddhistische studie per se maar bij zadankai , maandelijkse 'discussiebijeenkomsten' of 'studierondetafels'. Leden komen anders bijeen in Cultuurcentra voor grotere bijeenkomsten en voor het bijwonen van uitzendingen met toespraken van erevoorzitter Ikeda. Leden zullen ook vele andere bijeenkomsten bijwonen die worden bijeengeroepen voor de Gakkai-suborganisaties waartoe ze behoren, zoals de Married Women's Division of de Young Men's Division, en beroepsgroepen zoals de Doctor's Division, de Educator's Division, de Artist's Division of anderen. .

?? Abonnementen verzamelen voor Gakkai-publicaties: Sōka Gakkai-leden vragen regelmatig vrienden, familieleden, kennissen en elkaar om zich aan te melden voor tijdschriften zoals de krant Seikyō shinbun . De groep noemt de praktijk van het vragen om zijn krant "krant-verlichting" (shinbun keimō) of het gebruiken van de Europese (niet de boeddhistische) term voor "verlichting" ( keimō ) om het ontwaken van nieuwe lezers te vieren.

?? Politieke campagnes: Een belangrijk onderdeel van de praktijk van toegewijde leden is verkiezingswerk namens kandidaten voor Kōmeitō of, bij gelegenheid, voor haar coalitiepartner de Liberale Democratische Partij. Sōka Gakkai onderhoudt het krachtigste verkiezingsnetwerk van Japan op basisniveau, voornamelijk aangedreven door de Married Women's Division, die stemmen verzamelt voor kandidaten bij elke verkiezing, van lokale gemeenteraden tot races voor zetels in het nationale parlement. Hoewel Sōka Gakkai en Kōmeitō formeel gescheiden zijn, beschouwen de meeste toegewijde leden het voeren van een campagne voor Kōmeitō als onderdeel van hun door geloof gedreven activiteiten.

?? Bezoeken aan belangrijke Gakkai-sites: sinds 1991, toen ze werden uitgesloten van bedevaarten naar de daigohonzon in de Nichiren Shōshū-hoofdtempel Taisekiji in de prefectuur Shizuoka zijn leden op pelgrimstocht gaan naar plaatsen die verband houden met de persoon van Ikeda Daisaku. Deze omvatten het administratieve hoofdkantoor van Sōka Gakkai in Shinanomachi in het centrum van Tokio, de met bomen omzoomde campus van de Sōka University in Hachiōji en het Tokyo Fuji Art Museum. Bijzonder toegewijde aanhangers zullen jaarlijkse bezoeken afleggen op belangrijke data in de biografie van Ikeda, zoals zijn verjaardag op 2 januari en zijn datum van bekering tot Sōka Gakkai op 24 augustus. Deze jaarlijkse observaties komen in de plaats van de nenchū gyōji, of de ‘cyclus van jaarlijkse praktijken’ die wordt onderhouden door Nichiren Shōshū, de boeddhistische ouder van de tempel in Gakkai.

?? Cultureel engagement: vanaf het einde van de jaren vijftig begonnen Gakkai-leden op te treden tijdens massa-evenementen in sportarena's, en vanaf de jaren zestig tot het begin van de jaren 1950 cultuurfestivals (bunkasai) met duizenden gewone leden die betrokken waren bij cast van duizenden muzikale spektakels werden met enige regelmaat georganiseerd. In de afgelopen twee decennia is het aantal massa-evenementen afgenomen ten gunste van leden die tentoonstellingen bijwoonden in cultuurcentra, een bezoek brachten aan het Tokyo Fuji Art Museum en betuttelende uitvoeringen gesponsord door de Min-on Concert Association. Jonge leden voeren ook (voornamelijk) westerse klassieke muziek uit in orkesten, concertbands en andere ensembles die worden beheerd door de Young Men's Division Music Corps (Ongakutai) en de Young Women's Division Fife-and-Drum Corps (Kotekitai).

?? Rituele receptie van a Gohonzon : In tegenstelling tot eerdere tijdperken, toen bekeerlingen werden aangespoord om onmiddellijk naar Sōka Gakkai te converteren, worden aspirant-leden nu aangemoedigd om te oefenen Gongyo zes maanden voordat ze hun eigen krijgen Gohonzon replica in een ceremonie genaamd gojukai, om "de voorschriften te nemen" of exclusieve eerbied voor de Gohonzon .

?? Begrafenissen en herdenkingen: sinds 1991 worden leden aangemoedigd om 'vriendenbegrafenissen' te houden ( yūjinsō ) uitgevoerd door Gakkai-beheerders van de Liturgiedivisie (Gitenbu) die optreden Gongyo voor de overledene en andere funeraire taken uit te voeren die voorheen werden uitgevoerd door Nichiren Shōshū priesters.

Ongeacht de aard van de Gakkai-ontmoeting, het begin en het einde van kleine en grote bijeenkomsten in aanwezigheid van een verankerd Gohonzon worden routinematig gemarkeerd door het reciteren van de daimoku sanshō : drie aanroepingen van namu-myoho-renge-kyo.

ORGANISATIE / LEIDERSCHAP

Sōka Gakkai onderhoudt een uitgebreide bureaucratische administratie die lijkt op die van een moderne nationale overheid en haar civieleonderhoud. Erevoorzitter Ikeda zweeft boven een enorme piramidevormige structuur met daarop een president (momenteel zesde president Harada Minoru) die toezicht houdt op meer dan vijfhonderd vice-presidenten, een raad van regenten en vele andere betaalde bestuurders die op hun beurt toezicht houden op de activiteiten van de vele Gakkai's. onderverdelingen. De leden worden gegroepeerd op leeftijd, burgerlijke staat, geslacht, locatie, beroep en vele andere demografische overwegingen. De primaire suborganisaties zijn de divisies voor jonge mannen en jonge vrouwen, de divisie voor getrouwde vrouwen en de divisie voor mannen. Kinderen onder de achttien jaar behoren tot de Future Division. Leden in heel Japan behoren tot een verticale administratieve hiërarchie op basis van huishoudens (Setai) die zijn georganiseerd in blokken (burokku), districten (chiku), hoofdstukken (shibu), regionaal hoofdkantoor (Honbu), afdelingen (ku or gezichtskring) en prefecturen (gezichtskring), die op hun beurt worden beheerd door dertien nationale districten; bijna al het administratieve werk voor de dagelijkse werking van deze onderverdelingen wordt uitgevoerd door vrijwillige beheerders. Een actief lid kan meerdere administratieve vrijwilligersfuncties bekleden op verschillende niveaus van de organisatie, vanaf het blok, en elk van deze functies brengt talrijke verantwoordelijkheden met zich mee. De meest actieve leden op lokaal niveau behoren tot de Married Women's Division, en hoewel de meerderheid van de reguliere aanwezigen op vergaderingen vrouwen zijn, is het lidmaatschap van de administratie van Sōka Gakkai beperkt, met uitzondering van de divisies Future, Young Women's en Married Women's. voor mannen.

Naast een moderne gerationaliseerde bureaucratie onder het toezicht van een president, behoudt Sōka Gakkai andere administratieve kenmerken die de aanhorigheden van een natiestaat weerspiegelen. Waaronder:

?? Een Sōka Gakkai-vlag: een rode, gele en blauwe driekleurige driekleur naar het model van Europese nationale vlaggen met vaak een lotusbloem getekend in het midden. Het grondgebied van Gakkai is onmiddellijk herkenbaar in Japan wanneer de vlag boven een gebouw, het huis van een lid of een bedrijf wordt gerund door een aanhanger.

?? Anthems: Gakkai-leden leren Sōka Gakkai-liedjes en zingen ze tijdens vergaderingen. De liederen dienen als strijdkreet die de leden aan het institutionele geheugen van de groep bindt, en bijna allemaal zijn dit militaire marsen die zijn geschreven voor een optimale uitvoering door samen te zingen onder begeleiding van een fanfare.

?? Een Sōka Gakkai-economie: de organisatie handhaaft een bloeiende interne economie, voornamelijk gebaseerd op te doneren (letterlijk 'financiën'), of geldelijke donaties van leden. Sōka Gakkai is financieel afhankelijk van de stroom van miljarden yen en materiële goederen die door leden aan de instelling worden verstrekt.

?? Een media-imperium: leden ontvangen nieuws over de activiteiten van de groep, leerstellige leringen, begeleiding van Ikeda en andere vormen van informatie van de visuele, audio-, literaire en andere vormen van media die door de organisatie worden uitgegeven. Ze zijn ook verbonden met Sōka Gakkai-media door middel van alledaagse praktijken zoals het bezorgen van kranten, het aanvragen van nieuwe abonnementen en het vullen van hun planken, schermen en stereo's met Gakkai-teksten, afbeeldingen en geluiden.

?? Scholen: sinds 1968 heeft de groep een gerespecteerd privaat seculier onderwijssysteem opgebouwd, van de kleuterschool tot de Sōka-universiteit, en in de afgelopen jaren heeft de groep onderwijsinstellingen in het buitenland toegevoegd. Afgestudeerden van onderwijsinstellingen in Sōka Gakkai onderhouden levenslange banden en in de afgelopen decennia heeft de organisatie de gelederen van het betaalde administratieve personeel bemand met afgestudeerden van haar eigen scholen.

?? Sōka Gakkai-territorium: de organisatie onderhoudt duizenden cultuurcentra en andere faciliteiten in heel Japan die worden bewaakt door getrainde speciale kaders, meestal de Gajōkai (Fortress Protection) en Sōkahan (Value Creation Team) subgroepen van de Young Men's Division.

Ongeacht hun niveau van toewijding aan het bestuur van de groep of de mate waarin ze zich wijden aan het leven binnen de natie-achtige structuur van de groep, Gakkai-leden ervaren dat ze een affectieve directe relatie hebben met Ikeda Daisaku, een relatie die op tijden omzeilen de enorme bureaucratie van Sōka Gakkai.

PROBLEMEN / UITDAGINGEN

Als een enorme, expansionistische organisatie die het religieuze landschap van Japan ging domineren en haar aanwezigheid deed voelen in de politiek, het onderwijs, de publicatie en vele andere gebieden, heeft Sōka Gakkai veel conflicten uitgelokt. Nummering hiervan zijn:

?? Een reputatie voor agressieve bekering. Hoewel de voorwaarden van shakubuku is aanzienlijk veranderd, van zijn interpretatie onder Toda als agressieve bekering van alles tot het aanmoedigen van de dialoog tussen vrienden van vandaag, Sōka Gakkai heeft een reputatie voor onverdraagzaamheid van andere religies en vereist van zijn leden dat ze zich bekeren.

?? Conflict met andere religieuze organisaties. Sōka Gakkai is in enkele decennia geëxplodeerd naar miljoenen exclusieve aanhangers door aanhangers van andere religies te bekeren. Het was in staat om dit gedeeltelijk te doen vanwege argumenten die het uitte tegen "valse leringen" en wat het beschouwde als heterodoxe vormen van aanbidding. Misschien niet verrassend, leidde deze benadering ertoe dat bijna alle andere religieuze groepen in Japan (inclusief boeddhistische organisaties, op Shintō gebaseerde groepen, christelijke denominaties en nieuwe religies) zich op Sōka Gakkai als hun belangrijkste rivaal richtten.

Het meest acute religieuze conflict waarmee Sōka Gakkai vandaag wordt geconfronteerd, is met Nichiren Shōshū. In de jaren na de splitsing van 1991 zijn er beschuldigingen gepubliceerd en honderden rechtszaken bepalen de relatie tussen de twee organisaties. Beide groepen hebben geprobeerd zich van elkaars invloed te zuiveren; Nichiren Shōshū sloopte de Shōhondō in 1998 en Sōka Gakkai ontkent de religieuze legitimiteit van de Shōshū-abt. De met Shōshū verbonden rivalen van Sōka Gakkai, waaronder de lekengroep Fuji Taisekiji Kenshōkai, richten zich in het bijzonder op wat zij beschouwen als de heiligschennis van de eerbied van Gakkai-leden voor replica's gemaakt van de Nichikan-transcriptie uit 1720 van de daigohonzon .

?? Politiek engagement. De Sōka Gakkai-activiteit die de meerderheid van de publieke oppositie trekt, is de voortdurende steun aan Kōmeitō. Critici beschuldigen Sōka Gakkai van schending van artikel 20 van de Japanse grondwet van 1947, dat religieuze organisaties verbiedt privileges van de staat te ontvangen of politiek gezag uit te oefenen. In de jaren vijftig en zestig, toen Sōka Gakkai aandrong op de bouw van het wijdingsplatform bij regeringsdecreet, beschuldigden critici de groep ook van het overtreden van artikel 1950, dat de regering belet geld uit te geven ten behoeve van religieuze ondernemingen. Het laten vallen van het doel om het ordeningsplatform te bouwen, heeft het voor Sōka Gakkai gemakkelijker gemaakt om zijn standpunt te verdedigen dat het ondersteunen van Kōmeitō niet in strijd is met de grondwet. Sōka Gakkai stelt dat het en de aan haar gelieerde politieke partij officieel afzonderlijke organisaties zijn en herinnert critici eraan dat de grondwet van 60 vrijheid van meningsuiting en vrijheid van vergadering garandeert.

?? Eerbied voor erevoorzitter Ikeda. Waarnemers van buiten merken op dat Sōka Gakkai is getransformeerd van een geleide organisatie by Ikeda aan een toegewijde groep naar Ikeda. De Nichiren-boeddhistische praktijk van Gakkai wordt nu opgevat als een middel om de ondeelbare band van mentor en discipel te verfijnen (Shitei Funi) aangemoedigd door al zijn aanhangers. Critici gebruiken het enkelvoudige eerbetuiging dat Gakkai-leden voor hun erevoorzitter beweren als bewijs dat de groep zich heeft teruggetrokken van zijn Nichiren-boeddhistische oorsprong.

Sōka Gakkai staat voor een dreigende uitdaging die wordt veroorzaakt door zijn unieke focus op Ikeda Daisaku: wanneer de erevoorzitter overlijdt, zal er geen duidelijke opvolger zijn en kunnen de bureaucraten van de organisatie moeilijkheden ondervinden bij het uitoefenen van gezag in de afwezigheid van een charismatische levende leider.

Als gevolg van deze en andere conflicten (zie de tijdlijn en de geschiedenis van de oprichter / groep hierboven), heeft Sōka Gakkai de meest prominente en langstlevende negatieve publieke reputatie van elke religieuze groep in het hedendaagse Japan verdiend. Gakkai-leden leven gewone levens in de reguliere Japanse samenleving, maar toch ervaren veel mensen stigma op hun scholen, op hun werk en in hun persoonlijke leven als gevolg van heersende negatieve associaties met hun geloof.

REFERENTIES

Asahi Shinbun Aera Henshūbu, uitg. 2011. Sōka gakkai kaibō. Tokio: Asahi Shinbun.

Bessatsu Takarajima Henshūbu, ed. 2007. Ikeda Daisaku naki ato no Sōka gakkai. Tokio: Takarajimasha.

Bethel, Dayle M. 1989. Education for Creative Living: Ideas and Proposals of Tsunesaburō Makiguchi. Vertaald door Alfred Birnbaum. Ames: Iowa State University Press.

Asano Hidemitsu. 1974. Watashi no mita sōka gakkai. Tokio: Keizai Ōraisha.

Bessatsu Takarajima, ed. 1995. Tonari no sōka gakkai: uchigawa kara mita gakkai'in naar iu shiawase. Tokio: Takarajimasha.

Asano Hidemitsu. 1973. Makiguchi de waardeschepper, revolutionaire Japanse opvoeder en oprichter van Sōka Gakkai. New York: Weatherhill.

Ehrhardt, George, Axel Klein, Levi McLaughlin en Steven Reed, eds. Komende. Kōmeitō: politiek en religie in Japan . Berkeley: Institute of East Asian Studies Japan Monograph Series.

Fisker-Nielsen, Anne Mette. 2012. Godsdienst en politiek in hedendaags Japan: Soka Gakkai Jeugd en Komeito. Londen en New York: Routledge.

Fujiwara Hirotatsu. 1970. Ik weiger Sōka Gakkai. Vertaald uit het Japans door Worth C. Grant. Tokio: Nisshin Hōdō.

Fujiwara Hirotatsu . 1969. Kono nihon wo dō suru 2: sōka gakkai o kiru . Tokio: Nisshin Hōdō Shuppanbu.

Higuma Takenori. 1970. Toda Jōsei / Sōka gakkai. Tokio: Shin Jinbutsu Ōraisha.

Higuma Takenori. 1983. Gendai shūkyōron. Tokio: Shiraishi Shoten.

Ikeda Daisaku. 1998-2013. Ikeda Daisaku zenshū (130 + volumes). Tokio: Seikyō Shinbunsha.

Ikeda Daisaku. 1998-2013. Shin ningen kakumei. Tokio: Seikyō Shinbunsha (25-volumes).

Ikeda Daisaku. 1971-1994. Ningen kakumei. Tokio: Seikyō bunko (12-volumes).

Inose Yūri. 2011. Shinkō wa dono yō ni keishō sareru ka: Sōka Gakkai ni miru jisedai ikusei. Sapporo: Hokkaidō Daigaku Shuppankai.

Itō Tatsunori. 2006 (maart). "Kenkyū shiryō: sōka gakkai tot nichirenshū no 'otaru montō' saigen kiroku." Gendai Shūkyō Kenkyū 40: 630-77.

Itō Tatsunori. 2004 (maart). “ Shakubuku kyōten Kosho.” Gendai Shūkyō Kenkyū 38: 251-75.

Itō Tatsunori. 2003 (maart). "Kenkyū shiryō: kaisei sareta sōka gakkai kaisoku henkō sareta 'Sōka gakkai' kisoku." Gendai Shūkyō Kenkyū 37: 154-225.

Kumagai Kazunori. 1978. Makiguchi Tsunesaburō. Tokio: Daisan Bunmeisha.

Machacek, David en Bryan Wilson, eds. 2000. Wereldburgers: de Sōka Gakkai boeddhistische beweging in de wereld . Oxford: Oxford University Press.

Makiguchi Tsunesaburō. 1981-1987. Makiguchi Tsunesaburō zenshū (10-volumes). Tokio: Daisan Bunmeisha.

McLaughlin, Levi. 2012. “Heeft Aum alles veranderd? Wat Soka Gakkai vóór, tijdens en na de Aum Shinrikyō-affaire ons vertelt over de aanhoudende 'andersheid' van nieuwe religies in Japan. " Japanese Journal of Religious Studies 39: 51-75.

McLaughlin, Levi. 2012. "Sōka Gakkai in Japan." Pp. 269-307 in Handboek van de hedendaagse Japanse religie, bewerkt door Inken Prohl en John Nelson. Leiden: Brill.

McLaughlin, Levi. 2009. "Sōka Gakkai in Japan." Ph.D. proefschrift, Department of Religion, Princeton University.

Miyata Kōichi . 2000. Makiguchi Tsunesaburō: gokuchū no tatakai. Tokio: Daisan Bunmeisha.

Miyata Kōichi . 1993 Makiguchi Tsunesaburō no shūkyō undō. Tokio: Daisan Bunmeisha.

Murata, Kiyoaki. 1969. Japan's New Buddhism: An Objective Account of Sōka Gakkai. New York: Walker / Weatherhill.

Nishino Tatsukichi. 1985. Denki Toda Jōsei. Tokio: Daisan Bunmei.

Nishiyama Shigeru. 2004 (juni). "Henbō suru sōka gakkai no konjaku." Sekai :-170 81.

Nishiyama Shigeru. 1998. "Naisei shūkyō no jiyūka to shūkyō yōshiki no kakushin: sengō dainiki no sōka gakkai no baai." In Shūkyō naar shakai seikatsu no shosō, uitgegeven door Numa Gishō hakushi koki kinen ronbunshū. Tokio: Ryūbunkan.

Nishiyama Shigeru. 1989. "Seitōka no kiki to kyōgaku kakushin: 'Shōhondō' kansei ikō no ishiyama kyōgaku no baai." Pp. 263-99 binnen Genkin Nihon bunka ni okeru dentō to henyō 5: genkin Nihon no "shinwa," onder redactie van Nakamaki Hirochika. Tokio: Domesu Shuppan.

Nishiyama Shigeru. 1985. "Butsuryūkō naar sōka gakkai ni miru kindai hokekei kyōdanhatten no nazo." In Nichiren to hokekyō shinkō, uitgegeven door Tamura Yoshirō et.al. Tokio: Yomiuri Shinbunsha.

Nishiyama Shigeru. 1975. "Nichiren shōshū sōka gakkai ni okeru 'honmon kaidan' ron no hensen: seijiteki shūkyō undō to shakai tōsei." Pp. 241-75 binnen Nichirenshū no shomondai , uitgegeven door Nakao Takashi. Tokio: Yūzankaku.

Roemer, Michael. 2009. "Religieuze affiliatie in hedendaags Japan: het dilemma ontrafelen." Herziening van religieus onderzoek 50: 298-320.

Saeki Yūtarō. 2000. Toda Jōsei naar sono jidai . Tokio: Mainichi Shinbunsha.

Shichiri Wajō. 2000. Ikeda Daisaku gensō no yabō: shōsetsu ningen kakumei hihan . Tokio: Shin Nippon Shuppansha.

Shimada Hiromi. 2007. Kōmeitō versus Sōka Gakkai . Tokio: Asahi Shinsho.

Shimada Hiromi. 2006. Sōka gakkai no jitsuryoku . Tokio: Asahi Shinbunsha.

Shimada Hiromi. 2004. Sōka Gakkai. Tokio: Shinchō Shinsho.

Shimazono, Susumu. 2006. "Teikō no shūkyō / kyōryoku no shūkyō: senjiki sōka kyōiku gakkai no hen'yō." Pp. 239-68 binnen Iwanami kōza ajia / taiheiyō sensō 6: nichijō seikatsu no naka no sōryokusen, uitgegeven door Kurazawa Aiko et. al. Tokio: Iwanami Shoten.

Shimazono, Susumu. 2004. Van verlossing tot spiritualiteit: populaire religieuze bewegingen in het moderne Japan . Melbourne: Trans Pacific Press.

Sōka Gakkai. 1952. Shinpen Nichiren Daishōnin gosho zenshū. Tokio: Sōka Gakkai.

Sōka Gakkai Kyōgakubu, ed. 1951 naar 1969. Shakubuku kyōten. Tokio: Sōka Gakkai.

Sōka Gakkai Mondai Kenkyūkai, ed. 2001. Sōka gakkai fujinbu: saikyō shūhyō gundan no kaibō. Tokio: Gogatsu Shobō.

Sōka Gakkai Nenpyō Hensan Iinkai, uitg. 1976. Sōka gakkai nenpyō. Tokio: Seikyō Shinbunsha.

Sōka Gakkai Yonjū Shūnenshi Hensan Iinkai, ed. 1970. Sōka gakkai yonjū shūnenshi. Tokio: Sōka Gakkai.

Stone, Jacqueline I. 2003. "Door Keizerlijk Edict en Shogunal Decree: Politiek en de kwestie van het Ordinatieplatform in Modern Lay Nichiren Buddhism." Pp. 192-219 in Boeddhisme in de moderne wereld: aanpassing van een oude traditie, uitgegeven door Steven Heine en Charles Prebish. Oxford: Oxford University Press.

Stone, Jacqueline I. 2003. "Nichiren's activistische erfgenamen: Sōka Gakkai, Risshō Kōseikai, Nipponzan Myōhōji." Pp. 63-94. In Actie Dharma: nieuwe studies in verloofd boeddhisme, uitgegeven door Christopher Queen, Charles Prebish en Damien Keown. Londen: RoutledgeCurzon.

Stone, Jacqueline I. 1999. Originele verlichting en de transformatie van middeleeuws Japans boeddhisme. Honolulu: University of Hawai'i Press.

Stone, Jacqueline I. 1998. "Chanting the August Title of the Lotus Sūtra : Daimoku-oefeningen in klassiek en middeleeuws Japan. "Pp. 116-66 in Herzien van het "Kamakura" -boeddhisme, bewerkt door Richard Payne. Honolulu: University of Hawai'i Press.

Stone, Jacqueline I. 1994. "Berisping van de vijanden van de Lotus : Nichirenist Exclusivism in historisch perspectief. " Japanese Journal of Religious Studies 21: 231-59.

Sugimori Kōji. 1976. Kenkyū / sōka gakkai. Tokio: Jiyūsha.

Suzuki Hiroshi. 1970. Toshiteki sekai. Tokio: Seishin Shobō.

Tamano Kazushi. 2008. Sōka gakkai no kenkyū. Tokio: Kōdansha.

Toda Jōsei. 1981-1990. Toda Jōsei zenshū (9-volumes). Tokio: Seikyō Shinbunsha.

Toda Jōsei. 1961. Toda Jōsei-sensei kōenshū jō / ge. Tokio: Sōka Gakkai.

Toda Jōsei. 1961. Toda Jōsei-sensei ronbunshū. Tokio: Sōka Gakkai.

Tōkyō Daigaku Hokekyō Kenkyūkai. 1975. Sōka gakkai no rinen to jissen. Tokio: Daisan Bunmeisha.

Tōkyō Daigaku Hokekyō Kenkyūkai, ed. 1962. Nichiren shōshū sōka gakkai . Tokio: Sankibō Busshorin.

White, James Wilson. 1970. De Sōkagakkai en Mass Society. Stanford: Stanford University Press.

Yamazaki Masatomo. 2001. "Gekkan Pen" jiken: Umoreteita shinjitsu. Tokio: Daisan Shokan.

Auteur:
Levi McLaughlin

Geplaatst:
1 december 2013

 

Deel