Vereniging van moslimbroeders

DE SAMENLEVING VAN MOSLIM-BROEDERS

DE SAMENLEVING VAN MUSLIM BROTHERS TIJDLIJN

1928 Hasan al-Banna richtte de Society of Muslim Brothers op in Isma'iliyya, Egypte, en verplaatste de basis van operaties naar Cairo in 1932.

1949 (januari) Hasan al-Banna werd vermoord, beweerd door overheidsagenten.

1952-revolutie onder leiding van de vrije officieren.

1954 Het nieuwe regime kraakte de Society of Muslim Brothers en noemde het een illegale organisatie.

1966 Muslim Brother-ideoloog Sayyid Qutb werd geëxecuteerd vanwege zijn betrokkenheid bij een complot tegen de staat.

1970 Anwar Sadat nam de macht over en begon de relatie met de Society of Muslim Brothers te verbeteren.

1981 President Anwar Sadat werd vermoord door Jihad, een radicaal-islamitische groepering.

1981-2011 De Society of Muslim Brothers opereerde binnen het beperkte maatschappelijk middenveld van Egypte om zijn verzet tegen seculiere heerschappij te uiten en zijn positie te versterken.

2011 (januari) De Society of Muslim Brothers voegde zich bij straatdemonstranten op het Tahrir-plein in Caïro, wat in februari leidde tot de ondergang van president Hosni Mubarak.

2011 (april) De Society of Muslim Brothers richtte de Freedom and Justice Party op om deel te nemen aan de postrevolutionaire politiek.

2011-2012 De alliantie voor vrijheid en rechtvaardigheid heeft de meerderheid van de zetels bij de parlementsverkiezingen gewonnen.

2012 (juli) De kandidaat van de Moslimbroer en Vrijheid en Gerechtigheidspartij Muhammad Morsi werd tot president van Egypte verkozen tijdens de eerste democratische verkiezingen van het land.

OPSCHRIFT / GROEP GESCHIEDENIS

De Sociëteit van Moslimbroeders (hierna Moslim Broederschap) wortel geschoten in een Egypte-streek met anti-imperialistische gevoelens, nationalistische gisting en binnenlandse politieke machtsstrijd. Het was een beweging geboren uit een bepaald politiek moment, en een die haar operationele praktijk, zo niet haar ideologie, opnieuw en telkens opnieuw uitvond om zich aan veranderende omstandigheden aan te passen. Inderdaad, de geschiedenis en ontwikkeling van de beweging loopt parallel met de bredere Egyptische ervaring met politieke modernisering - van nationaal bewustzijn tot autoritair bestuur tot (zeer recent) democratisering.

Hasan al-Banna (1906-1949) richtte de Moslimbroederschap op in 1928 in Isma'iliyya, Egypte, de stad waaraan hij was toegewezenals een Arabische instructeur na zijn afstuderen aan Cairo's seculiere lerarenopleiding, Dar al-'Ulum. In die tijd was Isma'iliyya, gelegen langs het Suezkanaal, het centrum van de Britse koloniale overheersing in Egypte, met een kwart van een sterk contingent van Britse troepen en het Britse Suez Canal Company. Al-Banna voelde zich volgens de broederschapsverslagen verplicht om de leidende functie te aanvaarden van een nieuwe organisatie die zich inzet voor het herstellen van glorie voor de islam en respect voor de Egyptenaren, die allebei leed onder de vernedering van buitenlandse bezetting en het bijbehorende verlies van traditionele identiteit ; zijn opvoeding als een vrome jongeman, die had deelgenomen aan activistische religieuze groeperingen en het soefisme, bereidde hem voor op deze taak (Mitchell 1968: 1-11).

De Moslimbroederschap heeft zich misschien gevormd in Isma'iliyya, maar ze was getuige van haar echte geboorte als beweging in Caïro, waar ze haar hoofdkantoor vestigde in 1932. Het is moeilijk gebleken om de beweging te typen omdat ze zoveel verantwoordelijkheden op zich nam, en omdat ze al- Banna stelde zich het vanaf het begin voor als een uitzondering op de actievoerders die toen in Egypte en de islamitische wereld leefden: “Broeder, je bent geen welwillende organisatie, noch een politieke partij, noch een lokale vereniging met strikt beperkte doelstellingen. Je bent eerder een nieuwe geest die zijn weg baant naar het hart van deze natie en het nieuw leven inblaast door de Koran; een nieuw licht dat door de kennis van God daagt en de duisternis van het materialisme verstrooit; een klinkende stem die de boodschap van de apostel van God weerkaatst en weerklinkt ... Als iemand je zou vragen: met welk doel wordt je beroep gedaan?, zeg dan: we roepen je op tot de islam, die door Mohammed aan je werd gebracht: de regering maakt deel uit van het, en vrijheid is een van haar religieuze plichten. Als iemand tegen je zou zeggen: dit is politiek!, Zeg dan: dit is de islam, en wij erkennen dergelijke verdeeldheid niet. Als iemand tegen je zou zeggen: je bent agenten van de revolutie!, Zeg dan: we zijn agenten van waarheid en vrede waarin we geloven en die we verheerlijken. Als je tegen ons opstaat en onze boodschap belemmert, heeft God ons toestemming gegeven om onszelf te verdedigen, en zullen jullie onrechtvaardige rebellen zijn ”(al-Banna 1978: 36).

Voor al-Banna omvatte de missie van de Broederschap het bereik van menselijke behoeften, materieel en spiritueel. Het was een missie die geworteld was in geloof, in het vermogen van de islam om de wereldse uitdagingen aan te pakken waarmee Egyptenaren en alle moslims worden geconfronteerd. Het was ook een missie, zoals al-Banna erkende, die concurreerde met andere 'missies' (ie, ideologische systemen) van een meer seculiere variëteit die de scepter zwaaide in het Westen en die de islamitische samenleving doordrong.

In de 1930s en 1940s concurreerde de Moslim Broederschap met een reeks politieke partijen en facties, waarvan de meesten een vorm van nationalisme vormden die Europese patronen van natievorming weerspiegelde, inclusief een oproep aan religie (Islam) om culturele identiteit te vormen en eenheid te creëren . De Broederschap was echter niet tevreden met het idee van religie als culturele glans op een anderszins civiele politieke structuur, omdat het geloofde dat de islam een ​​praktisch systeem van politieke en sociale organisatie aanbood - een claim die de kern vormt van het islamisme of de politieke islam . (Fuller 2003: xi) Als een beweging definieerde de Moslimbroederschap zich dan ook over en weer tegen uitingen van politieke eenheid die moderne volkeren, zoals patriottisme en nationalisme, vorm gaven, samen met de politieke economieën waar moderne staten de voorkeur aan gaven, zoals socialisme, communisme en kapitalisme. Al deze moderne 'ismen' waren, naar de mening van al-Banna, niet in islamitische authenticiteit en daarom onverenigbaar met pogingen van moslims om te moderniseren en te ontwikkelen. Maar het waren niet alleen moderniserings theorieën die al-Banna en de Broederschap verwierpen; ze protesteerden ook tegen de politieke status-quo van Egypte die een klasse van notabelen die regeerde over de massa's machtigde (Lia 1998: hoofdstuk 7).

De Moslimbroederschap onderscheidde zich niet alleen in haar begrip van de moderne politieke identiteit, maar ook in de manier waarop het zich bezighield met het beïnvloeden van de publieke opinie en het winnen van harten en zielen. In tegenstelling tot andere politieke bewegingen, heeft de Brotherhood een reeks van welzijns-, publicatie- en zakelijke initiatieven opgezet: zij heeft gezondheidsklinieken opgezet; gedistribueerde voedsel en kleding; geassisteerde studenten met studiegidsen, benodigdheden en transport; gepubliceerde boeken, pamfletten en tijdschriften; opgerichte bedrijven en hielp bij het organiseren van vakbonden. Deze activiteiten weerspiegelden het engagement van de Broederschap om praktische bijdragen te leveren aan het leven van de natie, en om aan te tonen wat de Islam, terecht begrepen en ingesteld, kon bereiken. Hier ging het activisme van de Broederschap ook verder dan de beroemde hervormers Jamal al-Din al-Afghani en Mohammed 'Abduh, de intellectuele voorgangers van het islamisme, die de verenigbaarheid van de islam met de moderniteit aantoonden door het geschreven woord en publieke verklaringen. Het succes van de outreach van de Brotherhood kan, tenminste gedeeltelijk, worden gemeten aan de hand van het lidmaatschap, dat door de late 1940s werd geschat op 500,00, exclusief sympathisanten (Mitchell 1969: 328). Het was de populaire basis van de beweging die het zo aantrekkelijk maakte voor de Vrije Officieren die de 1952-revolutie in Egypte leidden, de monarchie omver wierpen en een moderne republiek vestigden.

Vóór de revolutie was de Moslim Broederschap betrokken geraakt bij een aantal confrontaties met de staat, waarvan de meest dramatische de moord was, in december 1948, van de toenmalige premier Nuqrashi Pasha. Een publiek conflict bracht meer publieke aandacht, zowel positief als negatief. In februari 1949 werd al-Banna vermoord, wat de meeste waarnemers beschouwen als een daad van vergelding door de overheid. Hoewel de nationalistische politiek van Egypte soms bloedig kan zijn, wordt de periode die de opkomst van de Moslimbroederschap (in de 1920s) naar de 1952-revolutie aanduidde, aangeduid als "het liberale experiment", omdat het een tijd was van vrij stromende discussies en politieke discussies. activiteit. Met de revolutie liep het experiment ten einde, en een nieuwe fase van nationaal
bewustzijn en doel begonnen. Militaire mannen door training, de vrije officieren hadden een moeilijke relatie met de Moslimbroederschap, maar zij erkenden het nut van het aanboren van een beweging met zo'n brede basis van populaire steun en grassroots-organisatie. Na de revolutie werd een wet aangenomen die politiek activisme verbood. De Moslimbroederschap mocht aanvankelijk echter zijn activiteiten voortzetten, onder het voorwendsel dat de groep een religieuze agenda had. Pogingen om de Broederschap te verleiden tot ondersteuning van het nieuw geslagen regime mislukten, en een hardvochtig optreden tegen de beweging vond plaats in 1954, nadat een Moslimbroer betrokken was bij een moordaanslag op Gamal Abdul Nasser, een leidende figuur onder de Vrije Officieren en de eerste president van Egypte.

Degenen die terechtstonden voor de moordaanslag werden ter dood veroordeeld of in de gevangenis beland. Honderden mensen kwamen in de gevangenis terecht en de Moslim Broederschap werd tot een illegale organisatie verklaard. De leden werden gemarteld in de gevangenis en werden op straat opgejaagd. Het harde optreden duurde gedurende de jaren van Nasser, 1952-1970, toen collectivistisch socialistisch ontwikkelingsbeleid en autoritair bewind de steunpilaren van het regime werden. De gevangenisperiode diende als een gelegenheid voor broeders om te discussiëren over islamitische middelen en doelen. (Kepel 2003: hoofdstuk 2) Voor de meerderheid,onder leiding van Hasan al-Hudaybi, die na de dood van al-Banna de mantel van de Algemene gids van de Moslimbroederschap had geërfd, was de meest haalbare manier om vooruit te gaan, te focussen op prediken, onderwijzen en welke sociale activiteiten de staat dan ook zou toestaan. Hudaybi werd ter dood veroordeeld in 1954, hoewel zijn vonnis later werd omgezet in leven in de gevangenis. Toen hij in de gevangenis zat, schreef hij Du'ah ... la qudah (Predikers geen rechters), waarin hij pleitte voor gematigdheid en tegen radicale tactieken. Voor andere islamisten eisten de wreedheid, het verraad en het on-islamitische beleid van het regime van Nasser een militante reactie - jihad of heilige oorlog was het antwoord. Sayyid Qutb, een broederschapsideoloog die een gevangenisstraf van vijftien jaar uitzit, schetste de argumenten voor het omgaan met het geweld van de seculiere staat met door God verordineerd geweld in zijn nu beroemde boek Ma'alim fi'l-tariq (Wegwijzers langs de weg, soms eenvoudig vertaald als Mijlpalen). Qutb leek een onwaarschijnlijke radicaal, hij kreeg zijn start als literair criticus en verdiende een reputatie als gematigd, die een intellectuele basis vormde voor islamistische idealen. Zijn transformatie - van gematigd naar terughoudend militant - spreekt over het verband tussen autoritair bestuur en radicalisering in Egypte en elders in de islamitische wereld. Vrijgekomen vroeg uit de gevangenis, werd hij snel opnieuw gearresteerd na ontdekking van een islamistisch complot tegen het regime; hij werd berecht en geëxecuteerd in 1966. Hudaybi en Qutb symboliseerden de contrasterende methoden van gematigd en militant islamisme, hoewel hun doelen grotendeels hetzelfde bleven: de vorming van een islamitische staat die de islamitische wet implementeerde.

De behandeling van de Broeders verschoof dramatisch na de dood van Nasser in 1970 en de opvolging van Anwar Sadat tot het presidentschap. Sadat, een van de oorspronkelijke leiders van de Free Officer, heeft veel islamisten uit de gevangenis vrijgelaten en heeft de Broederschap toegestaan ​​om de outreach-inspanningen te hervatten, met de bepaling dat de organisatie geen politiek wil worden en de islamistische strijdbaarheid veroordeelt. En er was heel wat militante actie om aan te klagen. In de 1970s ontstond een reeks onafhankelijke islamitische groeperingen die direct of indirect het gezag van de staat uitdaagden en zich tot geweld keerden. Trouw aan zijn woord, sprak de Broederschap zich uit tegen geweld, maar het steunde die islamitische groeperingen die demonstreerden tegen het regime en vroegen de islamitische authenticiteit van de staat en haar leiderschapsklasse. Demonstraties namen toe naarmate islamisten gefrustreerd raakten met het beleid van Sadat en hun invloed op de Egyptische samenleving. Op economisch en politiek vlak had Sadat de koers van het socialisme van Nasser en de omhelzing van de Sovjet-Unie omgekeerd, waarbij het verschoof naar het marktkapitalisme (het 'open deur'-beleid) en de vriendschap met de Verenigde Staten. De instroom van goederen en investeringen creëerde een nieuwe geldelite en leidde tot bezorgdheid over ongelijke verdeling van welvaart en corruptie met overheidscontracten. Sadats nieuwe openheid voor de buitenwereld bracht ook tekenen van corruptie teweeg die islamisten onaanvaardbaar vonden, zoals nachtclubs, casino's, alcoholgebruik en prostitutie. Islamistische kritiek werd nog acuter nadat Sadat de Camp David-akkoorden en het daaropvolgende vredesverdrag met Israël ondertekende - een wijziging van het buitenlands beleid die veel Egyptenaren schokte die al decennialang waren blootgesteld aan anti-zionistische, anti-Israëlische propaganda in de staatsbedrijfsdruk .

Tegen het einde van de 1970s begon de Moslimbroederschap, ondanks de stilzwijgende overeenkomst met Sadat, een actievere rol te
protesteert tegen het regime. En het waren niet alleen islamisten die gefrustreerd raakten over de ontwikkelingen in Egypte; Christenen (Kopten), communisten, journalisten en zakelijke facties namen hun woede over. Door 1981 bevond Sadat zich omringd door tegenstanders uit het hele politieke spectrum en reageerde hij door leiders uit de oppositie bij elkaar te brengen. Hoe Sadat van plan was om deze spanningen op te lossen, raakte in oktober in verval. 1981, toen leden van een islamistische groep genaamd Jihad Sadat vermoordden toen hij Egyptische troepen beschreef tijdens een nationale viering. Zijn opvolger, Hosni Mubarak, zat op dezelfde beoordelingsstand. Het is belangrijk om op te merken dat, hoewel Sadat de toestemming van de Broederschap verleende om in de beperkte civil society van Egypte te opereren, hij niet de wet vernietigde die de organisatie illegaal had verklaard. Op deze manier kon de president de Brotherhood naar believen onderdrukken, telkens wanneer deze de grenzen overschreed. Sadat onderhield eigenlijk dezelfde autoritaire controle als zijn voorganger en hij was net zo voorbereid om zijn critici te onderdrukken als de behoefte zich voordeed. Hosni Mubarak zette dit beleid voort om met de Broederschap om te gaan, maar hij bevond zich net als zijn voorganger net zo veel met de beweging als hij het confronteerde. In feite was de relatie tussen de Egyptische staat en de Broederschap in de loop van de tijd geëvolueerd tot een van slingerbewegingen van conflict en samenwerking. Het was een relatie geworteld in een schoorvoetende erkenning dat beide de ander nodig hadden om te overleven in de autoritaire politieke omgeving van Egypte.

Noch Sadat, noch zijn opvolger, Mubarak, waren van plan het politieke systeem te openen, te democratiseren, ondanks het tegendeel. Bij gebrek aan de steun van de bevolking die voortkomt uit verkiezingen, was de staat afhankelijk van het gezag van sociale instellingen - sommige bij de overheid aangesloten, andere niet - om haar legitimiteit bij de massa te verlenen. Sinds de Nasser-periode keek de Egyptische staat vaak naar al-Azhar, het centrum van islamitisch onderwijs in Egypte (en beroemd in de hele moslimwereld), om religieuze sancties te geven voor politieke beslissingen. Maar al-Azhar merkte dat zijn reputatie in het gedrang kwam naarmate het meer een stem van de staat werd, een opvatting die de Broederschap zelf hielp koesteren omdat het het niet eens was met al-Azhar over de islam en zijn juiste rol in de Egyptische politiek. De wijdverspreide groei van islamistische groeperingen (gewelddadig en niet-gewelddadig) vanaf de jaren zeventig, de toenemende religiositeit van de Egyptische samenleving in het algemeen en de voortdurende outreach-activiteiten van de Broederschap gaven de beweging een religieus cachet bij de massa en, bij uitbreiding, de staat. De Broederschap maakte dus gebruik van haar positie ten opzichte van de staat 'in de veronderstelling dat de staatselite een modernistische houding heeft en politiek en ideologisch niet in staat is om de conservatieve stemming van de middenklasse te vertegenwoordigen, laat staan ​​de radicale islamisten te onderwerpen. ”(Auda 1970: 1994). De Broederschap, een illegale organisatie, van haar kant was afhankelijk van de vrijheid van de staat om haar werk voort te zetten. De Broederschap had geleerd dat het niet opgewassen was tegen de macht van de staat en zijn geweldsinstrumenten. Het enige alternatief was om binnen de gestelde grenzen te leven en die grenzen zoveel mogelijk te verleggen. De relatie tussen de Broederschap en de staat bleef gespannen en vol spanning, omdat beide partijen de zwakheid van de ander beseften, hun eigen grenzen begrepen en toch verlangden om de ander uit de politieke vergelijking te verwijderen. Het resultaat was, zoals een waarnemer opmerkte, een "normalisatieproces" dat voortdurende rondes van "conflict, concessie en samenwerking" verankerde (Auda 393: 1994).

Deze situatie zette zich voort gedurende de regel van Mubarak, 1981-2011, tot de Arabische lente de status-quo verstoorde. In januari, toen 2011 de demonstranten voor het eerst de straat op ging in Caïro, de hoofdstad van Egypte, bleef de Moslim Broederschap aan de zijlijn staan, terughoudend om een ​​verlies van haar eigendom en beperkte operationele vrijheid te riskeren in het geval van een hardhandig optreden van de overheid. Toen het transformatieve potentieel van de straat-oppositie duidelijk werd, voegde de Broederschap zich bij de protesten die van kracht waren, en leverde hij gedisciplineerde kaders en organisatie op. Tot grote ergernis van de oorspronkelijke, seculier ingestelde leiders van de opstand, bleek de Broederschap een baanbrekende bondgenoot inde strijd tegen Mubarak. In februari 2011 werd Mubarak uit zijn ambt gezet en een interim-militair regime onder bevel van de Hoge Raad van de strijdkrachten (SCAF) nam de macht over en beloofde vrije verkiezingen te houden. Twee maanden later richtte de Moslimbroederschap de Vrijheid en Rechtvaardigheidspartij (FJP) op om te concurreren in de nieuwe electorale politiek van Egypte. Zoals veel commentatoren voorspelden, vertaalde de enorme organisatorische en administratieve ervaring van de Brotherhood zich in verkiezingssucces: na verschillende parlementsverkiezingen ontstond de FJP-alliantie met rond 45% van de zetels; en in juni werd 2012, de FJP-kandidaat, Muhammad Morsi, de eerste vrij gekozen president van Egypte. Vóór zijn ambtsaanvaarding nam Morsi formeel ontslag bij de Moslimbroederschap en de FJP, en verklaarde dat hij zich verplichtte om alle Egyptenaren te vertegenwoordigen. Hij onderhandelt nog steeds, in het openbaar en achter de schermen, met SCAF over de omvang van de presidentiële machten in de postrevolutionaire, democratische politiek van Egypte.

DOCTRINES / OVERTUIGINGEN

De Moslimbroederschap kreeg vaak kritiek omdat ze was of zich gedroeg als de Kharijieten, een militante sektarische groep die in de 7e eeuw was ontstaan ​​en in klassieke bronnen ronduit veroordeeld was. Deze beschuldiging kwam naar voren in het politieke geven en nemen van openbare discussies over islamisme, radicaal en gematigd, en weerspiegelt de propagandistische toepassingen van de islamitische traditie in het moderne discours (Kenney 2006). In strikte zin hield de Broederschap zich altijd aan de heersende leerstellige opvattingen over de orthodoxe soennitische islam. Maar de opvatting van de beweging over doctrine ging verder dan de gebruikelijke essentie van het geloof, de zogenaamde "vijf pilaren" van de islam. De Broederschap veranderde doctrine en praktijk in ideologie en politiek activisme, hoewel ze beweerde dat deze transformatie in overeenstemming was met de patronen die waren vastgesteld door de profeet Mohammed en de rechtgeleide kaliefen (de eerste vier leiders na de dood van Mohammed in de soennitische islam). "De gelovige", aldus al-Banna, is "elke persoon die geloof heeft in onze missie, gelooft in wat we zeggen, onze principes goedkeurt en daarin iets goeds ziet waarin zijn ziel voldoening kan schenken ..." (1978: 11). Zo wekte de Broederschap de indruk dat moslim zijn betekende het aannemen van het ideologisch doordrenkte wereldbeeld van de beweging - een suggestie die veel Egyptenaren van streek maakte die vonden dat de beweging hen beschuldigde van een ontoereikend geloof.

De ideologie / doctrine van de Broederschap was verbonden met haar lezing van de moderne ervaring van moslimvolken, met hun omkering van historisch fortuin, gesignaleerd door buitenlandse bezetting, gebrek aan ontwikkeling en een verzwakt geloof. Het antwoord op deze situatie nam de vorm aan van een bewering van het vermogen van de islam, als totaalsysteem, om moslims echte oplossingen te bieden, een bewering die vanaf de jaren tachtig het vaandel werd voor broeders die deelnamen aan parlementsverkiezingen: 'Islam is de oplossing . " Het geloof in de islam was dus het startpunt van de “doctrine” van de Broederschap, maar het was een islam die, zoals al-Banna het in een van zijn traktaten verwoordde, voldeed aan de vele behoeften van de “heropgerichte natie”: hoop, nationale grootsheid , het leger, de volksgezondheid, de wetenschap, de moraal, de economie, de rechten van minderheden en de betrekkingen met het Westen (al-Banna 1980: 1978-107). De inhoud van de islamitische oplossing bevond zich in de gejumeleerde heilige bronnen van de traditie - de koran en sunna (uitspraken en daden van de profeet Mohammed en zijn vroege metgezellen) - die beide al-Banna vaak citeerde als bewijstekst van de compatibiliteit van de islam. met moderne zaken van bestuur, sociale organisatie en economische ontwikkeling. De ultieme leerstellige toestand van de Broederschap, en islamisten in het algemeen, was en is nog steeds de islamitische wet (shari'a): een islamitische samenleving bestaat niet zonder haar, en het is de plicht van een islamitische staat om deze te implementeren. Zonder de islamitische wetgeving in de plaats, volgens de Broederschap, is een moslim niet in staat om een ​​waarlijk islamitisch leven te leiden.

Critici van de Broederschap hebben het vaak beschuldigd van het aanbieden van vage koranpassages om complexe kwesties en zinsneden aan te pakken in plaats van een duidelijk beleid. Maar het is precies de vaagheid van de doctrine van de Broederschap die het goed heeft gediend als de beweging is aangepast aan veranderende omstandigheden. Al-Banna verwierp bijvoorbeeld de kapitalistische economie, de Arabische eenheid, de partijpolitiek en de democratie, maar de Broederschap kwam later om deze ideeën te omhelzen (Aly en Wenner 1982). Dit lijkt misschien inconsistent, maar bewegingen behouden hun relevantie in volatiele contexten door van koers te veranderen, en het politieke veld van Egypte heeft zeker zijn aandeel in de volatiliteit. Het is ook vermeldenswaard dat, hoewel de implementatie van de islamitische wet een constante eis van de Broederschap is gebleven, de meningen binnen de organisatie altijd verschillend waren over precies hoe de islamitische wetgeving eruit zou zien als ze wordt geïmplementeerd. Voor sommigen betekent het een open politiek systeem, met juridische onafhankelijkheid en toezicht, dat de wil van het volk implementeert; voor anderen betekent dit dat leiders advies van religieuze experts zullen inwinnen; en voor weer anderen is een volledig overzicht van het huidige seculiere rechtsstelsel vereist. Deze reeks mogelijke betekenissen frustreert critici (en sommige broeders), maar het heeft de organisatie historisch gezien in staat gesteld om met verschillende doelgroepen te spreken en zijn eisen te temperen op basis van wat de context zou dragen.

RITUELEN

De Moslimbroederschap heeft altijd vastgehouden aan traditionele islamitische rituelen: gebed, vasten (tijdens de maand Ramadan), liefdadigheidsbeurzen en de pelgrimstocht naar Mekka. Het vereiste naleving van deze rituelen om het derde hoogste niveau van lidmaatschap te bereiken, dat van het "actieve" lid (Mitchell 1969: 183). De eigen rituele activiteiten, als beweging, waren bedoeld om een ​​gevoel van eenheid en doelgerichtheid tussen de leden te creëren. Deze activiteiten omvatten een eed van loyaliteit, gegeven aan de directe superieur van de persoon of in groepsverband; massale bijeenkomsten, waar lezingen werden gegeven aan het publiek; en, voor een korte tijd, nachtwaken onder leiding van al-Banna voor een speciaal "bataljon", waarin hij zou prediken over een reeks onderwerpen. Religieus georiënteerde gezangen en slogans waren bij Brotherhood-bijeenkomsten gebruikelijk (Mitchell 1969: 188-97). De Brotherhood vestigde een aantal moskeeën en andere moskeeën werden soms gebruikt voor rekruteringsdoeleinden, maar er was geen speciaal Brotherhood-specifiek ritueel bij betrokken.

ORGANISATIE / LEIDERSCHAP

De overleving en het uiteindelijke succes van de Moslimbroederschap berusten stevig op haar organisatie en discipline. Aan de top van de organisatie staat de Algemene gids, die toezicht houdt op zowel de Algemene Leidraad (GGC) als de Consultatieve Vergadering (CA). Als de eerste algemene gids stelde al-Banna een hoge standaard voor eerlijkheid, charisma en nederigheid. Hij werd zeer geliefd bij leden en zelfs gerespecteerd door degenen die het oneens waren met de islamistische politiek. De GGC is verantwoordelijk voor het vormgeven en uitvoeren van beleid. De CA bestaat uit leden van verschillende afdelingen in het hele land en functioneert als middel voor leden om hun stem te laten horen in de leiding. Ondanks het structurele belang van de GGC en CA, was het al-Banna, vanwege zijn overmaat aan persoonlijkheid en invloed, die de agenda en de stijl van de Brotherhood-activiteiten bepaalde. Dagelijkse administratie werd uitgevoerd door "secties" die zaken met betrekking tot ideologie / training verzorgden, en "comités" die zich bezighielden met financiën, beleid, diensten en juridische kwesties. Richtlijnen uit de Algemene gids of leiderschapscomité / sectie gingen door een "veldapparaat" dat leden organiseerde volgens "district", "gemeente" en "familie" (Mitchell 1969: 164-80). Rechten die door leden worden ingewisseld, onderschrijven de activiteiten van Brotherhood.

Leden treden toe tot de organisatie na een tussentijdse periode waarin zij aantonen dat zij in staat zijn om aan de vereiste verplichtingen te voldoen. In de vroege stadia van de beweging omvatten deze verplichtingen 'fysieke training, prestatie in het leren van de Koran en vervulling van islamitische verplichtingen zoals pelgrimstochten, vasten en bijdragen aan de schatkist van de zakaat' (Mitchell 1969: 183). Leden leggen ook een eed af die hun toelating tot de Broederschap formaliseert, en dat vereist van hen "zich strikt te houden aan de boodschap van de Moslimbroeders, ernaar te streven namens hen, om te voldoen aan de voorwaarden van het lidmaatschap, om volledig te zijn vertrouwen in zijn leiderschap en absoluut gehoorzamen, onder alle omstandigheden "(Mitchell 1969: 165). De verantwoordelijkheid om broeders te disciplineren die niet aan de eed voldoen, valt onder de leiders van het bijkantoor. Dat de Broederschap de disciplinaire discipline serieus neemt, werd duidelijk na de 2011-revolutie van januari. De Brotherhood-partij, de FJP, verklaarde aanvankelijk dat het geen kandidaat voor het ambt van president zou worden, maar een lid van de Brotherhood besloot om als onafhankelijke kandidaat voor het kantoor te gaan werken. Het lidmaatschap van de man werd onmiddellijk beëindigd.

Terwijl operaties in Egypte lange tijd de maatstaf voor de Moslimbroederschap waren, bestaan ​​er gelieerde organisaties en politieke partijen in Noord-Afrika, het Midden-Oosten en zelfs in Europa. In Tunesië, waar de Arabische lente begon, overleefde de op Moslimbroederschap geïnspireerde al-Nahda of Renaissance-partij decennia van onderdrukking door de regering om een ​​meerderheid van de zetels in de Constituante te behalen (oktober 2011). In Jordanië hebben de huidige en voormalige koningen een rotsachtige relatie met de Broederschap gehad: af en toe heeft de organisatie vrijwillig deelgenomen aan parlementsverkiezingen en gewonnen; de heersers hebben echter niet geaarzeld om achter de groep aan te gaan wanneer haar boodschap en activiteiten overheidsbelangen bedreigen. De Moslim Broederschap opereert sinds de 1940s in Syrië, en de geschiedenis daar loopt parallel met de ups en downs van de ervaring van de organisatie in Egypte. De heersende Assad-familie heeft geen tolerantie getoond voor gewelddadige oppositie en weinig tolerantie voor politieke dissidentie, maar de Broederschap is erin geslaagd te overleven en neemt nu deel aan de wijdverbreide opstand die het regime van Bashar Assad (Talhamy 2012) bedreigt. De Moslimbroederschap in Sudan channelde zijn activiteiten via het Nationale Islamitische Front, dat een tijdlang werd geleid door de islamistische denker Hassan al-Turabi. Opeenvolgende regeringen in Soedan neigen naar islamistische politiek, inclusief de implementatie van de islamitische wetgeving, het creëren van conflicten tussen het islamitische noorden van het land en zijn christelijke en animistische zuiden.

De Moslimbroederschap heeft zijn weg gevonden in Europa via studenten en immigranten. In Engeland en Frankrijk weerspiegelen moslimgemeenschappen dezelfde diversiteit aan attitudes tegenover islamisten als in de islamitische wereld. Aan Brotherhood gelieerde groepen en sympathisanten van Brotherhood in deze landen hebben gematigde politieke neigingen getoond, tot grote teleurstelling van moslimmilitanten die de voorkeur geven aan wereldwijde jihad (Leiken en Brooke 2007: 117-120). Moslimorganisaties in de Verenigde Staten zijn vaak beschuldigd van fronten voor de Moslimbroederschap, maar dergelijke beschuldigingen maken vaak deel uit van een bredere complottheorie over de islam en zijn 'radicale' aard. Voor sommige zelfgekozen 'moslimkijkers', ongeacht of dit in Europa of de Verenigde Staten is, duidt elke openbare bewering van de moslimidentiteit of het ondervragen door moslims van westerse buitenlandse politiek in de islamitische wereld een subversief element aan onder de binnenlandse moslimbevolking. In de post-Koude Oorlog, na 9 / 11, zijn angst en wantrouwen jegens moslims en de islam een ​​vast onderdeel geworden van de westerse cultuur. De geschiedenis van de Moslim Broederschap van millennialistische politiek en confrontaties met seculiere regimes had het tot een gemakkelijke focus gemaakt van de westerse angsten.

Gelieerde organisaties en afdelingen van de Moslim Broederschap delen gemeenschappelijke opvattingen over de noodzaak om de islam te revitaliseren en islamistische idealen te implementeren, maar ze missen een overkoepelend institutioneel verband. In elk geval hebben de nationale politiek en kwesties de manier bepaald waarop de islamitische ideologie wordt benadrukt en waarop wordt gehandeld. En leiders in verschillende landen, en in verschillende organisaties in hetzelfde land, hebben hun eigen autoriteit en autonomie beschermd (Leiken en Brooke 2007: 115-117).

PROBLEMEN / UITDAGINGEN

De dramatische gebeurtenissen rond de Arabische lente hebben de politieke omgeving in Egypte veranderd en nieuwe uitdagingen gecreëerd voor de Moslimbroederschap om zichzelf opnieuw uit te vinden. De Brotherhood heeft zichzelf opnieuw uitgevonden, verschuivingen zijn millenniumverwachtingen om aan veranderende omstandigheden tegemoet te komen (Kenney 2012), maar dat is nog nooit gebeurd vanuit zo'n positie van kracht en met zo'n potentieel voor het beïnvloeden van de Egyptische samenleving. De kracht en het potentieel van de organisatie waren al zichtbaar tijdens de verkiezingen resultaten na de opstand. Toch staat de Egyptische politieke cultuur nog in de kinderschoenen en misschien wel de grootste test van de Broederschap is of deze kan bijdragen aan de politieke rijping van de natie. Kan de Broederschap de overstap maken van de oppositiebeweging tegen underdog naar de reguliere politieke acteur? Kan het deze overgang maken met behoud van zijn islamitische identiteit en helpen om de urgente economische problemen van Egypte op te lossen?

De nieuwe open politieke omgeving zal meer openheid van de kant van de Broederschap vereisen, een geheimzinnige en wantrouwende beweging die haar overlevingsvaardigheden bijschaven onder drie opeenvolgende autoritaire regeringen. Het vereist ook dat de Broederschap zijn ideologische verbintenissen heroverweegt, en compromis sluit over een aantal van hen, in het geven en nemen van publieke debatten over het beleid. Onderdrukte bewegingen die buiten de hallen van kracht opereren, kunnen gemakkelijk ideeën uiten die geen hoop hebben geïmplementeerd te worden als beleid; degenen die nu deel uitmaken van het politieke systeem, moeten beslissingen en compromissen in de echte wereld kunnen nemen. Interne verdeeldheid binnen de Broederschap, ondanks officiële weigeringen, zijn in de loop van de jaren naar de oppervlakte gefilterd, wat wijst op meningsverschillen over leiderschap en de beste manier om met de overheid om te gaan; deze divisies zijn niet meer hersteld sinds de Arabische lente en kunnen zich vermenigvuldigen naarmate de organisatie haar missie probeert te hervormen. Al die tijd zal de Broederschap onder toezicht staan ​​van seculiere politieke krachten en een journalistieke instelling die geneigd is elke beweging van de organisatie te bekritiseren. Van zijn kant zal het militaire establishment, lang de macht achter de autoritaire staat, in de politieke vleugels wachten; macht zonder de verantwoordelijkheden van regel lijkt zijn doel te zijn, samen met behoud van zijn brede financiële belangen. Ten slotte betekent de opkomst van de Salafi-trend, aangetoond op de tweede plaats (achter de FJP) in parlementsverkiezingen, dat de Broederschap nu wordt uitgedaagd door meer conservatieve islamisten. In een interessante wending kunnen de salafisten de broederschap toestaan ​​om zichzelf te positioneren als een meer gematigde kracht in de Egyptische cultuuroorlogen.

Wat wel duidelijk is, is dat islamistische politiek de nieuwe norm is geworden in Egypte, althans in de nabije toekomst. Zal de Moslimbroederschap gewoon weer een politieke partij worden die om de macht wedijvert? De integratie van het islamisme in de mainstream zou inderdaad een signaal kunnen zijn, zoals sommige wetenschappers hebben gesuggereerd, een 'post-islamistische wending' in moslimgemeenschappen - een periode waarin islamistische bewegingen zichzelf en hun rol in de samenleving zo hebben hervormd dat ze hun voorsprong als instrumenten hebben verloren. van verandering (Bayat 2007). Studenten van het islamisme en sociale bewegingen zullen zeker kijken om te zien wat de toekomst zou kunnen brengen. De Broederschap is zich terdege bewust van haar situatie en zal proberen een nieuwe politiek in Egypte te creëren en te bewijzen dat haar critici ongelijk hebben.

REFERENTIES

Aly, Abd al-Moneim Said en Manfred W. Wenner. 1982. "Moderne islamitische hervormingsbewegingen: de Moslimbroederschap in het hedendaagse Egypte." The Middle East Journal 36: 336-61.

Auda, Gehad. 1994. "De 'Normalisatie' van de Islamitische Beweging in Egypte van de 1970s naar de 1990s." Pp. 374-412 in Accounting for Fundamentalisms: The Dynamic Character of Movements, bewerkt door Martin E. Marty en R. Scott Appleby. Chicago: The University of Chicago Press.

al-Banna, Hasan. 1978. Five Tracts of Hasan Al-Banna '(1906-1949). Vertaald en geannoteerd door Charles Wendell. Berkeley: University of California Press.

Bayat, Asef. 2007. Democratie democratisch maken: sociale bewegingen en de post-islamistDraaien. Stanford: Stanford University Press.

Fuller, Graham E. 2003. De toekomst van de politieke islam. New York: Palgrave Macmillan.

Kenney, Jeffrey T. 2012. "Millennial Politics in Modern Egypt: Islamism and Secular Nationalism in Context and Contest." Numen 59: 427-55.

Kenney, Jeffrey T. 2006. Moslim rebellen: Kharijites en de politiek van extremisme in Egypte. Oxford en New York: Oxford University Press.

Kepel, Gilles. 2003. Moslim extremisme in Egypte: de profeet en de farao. Vertaald door Jon Rothschild. Berkeley en Los Angeles: University of California Press.

Leiken, Robert S. en Steven Brooke. 2007. "De gematigde moslimbroederschap." Buitenlandse Zaken 86,2: 107-121.

Lia, Brynjar. 2006. De Vereniging van Moslimbroeders in Egypte: de opkomst van een islamitische massabeweging 1928-1942. Reading, UK: Ithaca Press.

Mitchell, Richard P. 1969. The Society of Muslim Brothers. Londen: Oxford University Press.

Talhamy, Yvette. 2012. "De Moslimbroederschap herboren." Midden-Oosten Elk kwartaal een 19: 33-40.

Auteur:
Jeffrey T. Kenney

Geplaatst:
23 augustus 2012

 

 

 

 

 

Deel