Elizabeth Goodine

Vrouwelijke martelaren in het vroege christendom

VROUWELIJKE MARTELAREN IN DE TIJDPERK VROEGE CHRISTENDOM

Het tijdperk van christelijke vervolging en martelaarschap is moeilijk tot nu toe precies. De christelijke traditie schrijft over het algemeen de titel van eerste christelijke martelaar toe aan de discipel, Stephen, wiens dood in ongeveer 36 CE is vastgelegd in het boek Handelingen van het Nieuwe Testament . De vroegste werkelijke martyrologie beschrijft echter de dood van St. Ignatius van Rome ergens tussen 98 en 117 CE. De periode van sporadische vervolging wordt gewoonlijk geacht te zijn geëindigd met de opkomst van keizer Constantijn en de latere acceptatie van het christendom als een geldige religie in de vroege tot midden van de vierde eeuw. Toch houdt deze datum geen rekening met de Donatistische martelaren van Noord-Afrika die stierven in de handen van andere christenen in de late vierde eeuw. Hoewel het begin en einde van het tijdperk misschien onnauwkeurig zijn, is het duidelijk dat vrouwen en mannen gedurende de hele periode ervoor kozen om te sterven in plaats van hun geloof in Christus op te geven. Sommigen stierven alleen; anderen stierven met hun mannelijke metgezellen. De volgende zijn vroege vrouwelijke martelaren van belang.

177 CE, Lyon: Martelaren van Lyon en Vienne.
Onder deze groep martelaren bevonden zich drie vrouwen: een slavin genaamd Blandina, haar meesteres en Biblis. Blandina is vooral belangrijk voor de inspiratie die ze aan anderen gaf temidden van marteling en voor de manier waarop het verslag haar als een herpresentatie van Christus in het midden van de dood rapporteert.

180 CE, Carthage: De Scillitan Martelaren.
Twaalf mannen en vrouwen die door het zwaard zijn geëxecuteerd na te hebben geweigerd hun belijdenis van Christus te herroepen.

Datum onzeker (hetzij over 165 CE tijdens het bewind van Marcus Aurelius of 251 CE tijdens het bewind van Decius), Pergamum, Klein-Azië: Carpus, Papylus en Agathonicê.
Na verschillende martelrondes worden Carpus en Papylus uiteindelijk aan de brandstapel genageld en verbrand. Terwijl ze doodgaan, moedigt de menigte Agathonicê aan medelijden te hebben met haar kind, maar ze antwoordt dat God voor hem zal zorgen. Dan wordt ook zij verbrand.

202-203 CE, Carthage: Perpetua en Felicitas.
Perpetua, een jonge Romeinse matrone met een kind, wordt samen met haar slavin Felicitas, die net bevallen was, geëxecuteerd. Het verslag is vooral belangrijk omdat het eerste deel Perpetua's eigen dagboek reproduceert, geschreven tijdens haar gevangenschap.

205-210 CE, Alexandria: Martelaarschap van Poamiaena en Basilides.
Na het ondergaan van zware martelingen en herhaaldelijke bedreigingen van aanranding, werd Poamiaena geëxecuteerd, samen met haar moeder, Marcella. Basilides, de jonge soldaat die haar had geleid tot de dood, werd ertoe bewogen Christus zelf te belijden, nadat hij had beweerd dat Poamiaena hem drie dagen na haar dood was verschenen. Hij werd vervolgens onthoofd.

Circa 304 CE, Thessalonica: Martelaarschap van Agapê, Irenê, Chionê en metgezellen.
Nadat ze weigerden Christus af te zweren en vlees te eten dat aan de goden werd geofferd, werden Agapê en Chionê verbrand. Irenê, oorspronkelijk gespaard vanwege haar jonge leeftijd, werd beschuldigd van het verbergen van christelijke documenten. Uiteindelijk werd ook zij, na naakt te zijn uitgekleed en tot tijd in een bordeel veroordeeld, geëxecuteerd.

304 CE, Tebessa, Noord-Afrika: Martelaarschap van Crispina.
Uitgevoerd door het zwaard. Ze weigerde Christus op te geven, zelfs nadat er een bevel was uitgevaardigd dat haar hoofd kaalgeschoren moest worden om haar te schamen.

304 CE, Mérida, Spanje: Eulalia.
Een jonge Romeinse vrouw (12-14 jaar oud) die naar verluidt haar kwelgeesten had bespot, zelfs toen ze werd gemarteld en verbrand op de brandstapel.

304 CE, Rome: Agnes.
Een jonge Romeinse edelvrouw (twaalf tot dertien jaar oud) die zich aan Christus wijdde. Er wordt gezegd dat ze alle mogelijke aanbidders had afgewezen die vervolgens de aanklacht hadden ingediend om een ​​christen tegen haar te zijn.

DOCTRINES / OVERTUIGINGEN

Het woord 'martelaar' is afgeleid van een Grieks woord dat 'getuigenis geven' betekent. In de christelijke traditie verwijst een martelaar naar iemand die getuigt van het lijden en de dood van Jezus Christus door zijn / haar eigen dood. Na de dood van Jezus in ongeveer 33 CE, ontwikkelden gemeenschappen van "christenen" zich en verspreidden zich uiteindelijk door het hele Romeinse rijk. Deze christenen wijdden zich aan de exclusieve aanbidding van hun god. Ze trokken sporadisch de woede van de Romeinse autoriteiten die, hoewel ze er niet om gaven of ze Jezus aanbaden, verwachtten dat ze ook hun maatschappelijke plicht doen door publiekelijk te aanbidden en offers te brengen aan de goden van Rome.

In de botsingen die volgden op christelijke exclusiviteit voor Christus, kwamen de martelaren door hun geloofsgenoten niet als de slachtoffers te staan ​​die Rome van hen had willen maken, maar eerder als overwinnaars over kwaad en dood; voorboden van hoop, voorgedragen door niemand minder dan hun god. In de lichamen van de martelaren werd zwakte kracht, schaamte werd eer en de aardse dood werd het eeuwige leven. Terwijl de verhalen over martelaren werden opgetekend en van gemeenschap tot gemeenschap werden verspreid, voedden ze de groei van de kerk. Zoals de kerkleider uit de tweede eeuw, Tertullianus, verklaarde: 'Hoe vaker we door u worden gemaaid, hoe meer we groeien; het bloed van christenen is zaad "(Tertullian, Verontschuldiging:50).

In navolging van de mening van Tertullianus, hebben moderne geleerden overtuigend betoogd dat christenen door het vertellen en opnieuw vertellen van de verhalen van de martelaren een groepsidentiteit construeerden die gebaseerd was op lijden als bekrachtiging en de dood als overwinning. De kruisiging, dood en opstanding van Jezus, de vleesgeworden Christus, dienden natuurlijk als het typische voorbeeld van zulk zegevierend lijden. Jezus leefde in het lichaam, onderwees in het lichaam, leed en stierf in het lichaam; en voor christenen was het juist dit menselijke lichaam dat werd opgevat als het kanaal tussen God en gelovigen. Het was dan ook geen toeval dat de lichamen van de martelaren de plaats van activiteit werden in het zich ontvouwende drama dat machteloosheid in macht veranderde. In plaats van Christus diende de lijdende martelaar als middelaar tussen God en de wereld. In het lichaam van de martelaar werd de dood ontmaskerd als de poort naar het eeuwige leven. Aangezien men dacht dat Christus 'dood en opstanding de wereld zouden verlossen, zette de christelijke martelaar door de dood dat verlossingswerk voort namens Christus.

Het lichaam staat dus centraal in dit proces om de overwinning te behalen; toch is de imitatie van Christus door de martelaar door het vrouwelijk lichaam ingewikkeld: hoe imiteert een vrouwelijk lichaam het lichaam van een mannelijke god? Het is niet, zoals men zou kunnen raden, dat het lichaam op een gegeven moment ophoudt er toe te doen. In de wereld van deze vroege martyrologieën droeg het lichaam zelf veeleer betekenis met zich mee die de fysieke delen ver overtrof. Hier zijn de oude kijk op het menselijk lichaam en de relatie van het lichaam tot deugden van cruciaal belang. In de oudheid werd het menselijk lichaam hiërarchisch opgevat, waarbij het mannelijke geslacht de standaard vertegenwoordigde en het vrouwelijke de ondermaatse norm op een continuüm. Bovendien werden deugden geassocieerd met biologische seks; dat wil zeggen, de hoogste (gerechtigheid, zelfbeheersing, wijsheid en moed) werden beschouwd als mannelijke deugden; terwijl de mindere deugden (zachtheid, bescheidenheid, kuisheid, schoonheid) als vrouwelijk werden beschouwd. Om de martelaar dus in de plaats van Christus te laten staan, moest hij / zij worden gezien als iemand die de hoogste deugden tentoonspreidde terwijl hij te midden van lijden en sterven was, net zoals Jezus zelf had gedaan aan het kruis. Op het hiërarchische continuüm betekende dit een opwaartse beweging naar het toppunt, dat wil zeggen, naar mannelijkheid, door het aannemen en tonen van mannelijke deugden.

Vertellers van de martelaren laten zien hoe vrouwelijke martelaren (zoals hun mannelijke tegenhangers) hun vervolgers overtroffen in termen van de mannelijke deugden. Perpetua, bijvoorbeeld [Afbeelding rechts], was zo moedig dat ze naar haar beul staarde en vervolgens, met zijn hand, de dolk naar haar eigen keel leidde. In dergelijke shows van mannelijke deugd, bootsten zowel mannen als vrouwen Christus na, de meest deugdzame van allemaal. Maar in deze re-presentaties droegen de lichamen van de vrouwelijke martelaren een dubbele last. Binnen de context van de Romeinse wereld moesten deze vrouwen, net als hun christelijke broeders, als mannelijker in deugd worden beschouwd dan hun vervolgers. Met betrekking tot die christelijke broers moesten zij echter ook als de meest deugdzame van vrouwen worden beschouwd. Dus terwijl Perpetua mannelijke moed toont om de dolk voor zichzelf op te nemen, vertoont ze ook de zeer vrouwelijke kwaliteit van bescheidenheid door de tuniek die langs de zijkant was geript naar beneden te trekken, zodat deze haar dijen bedekte, meer aan haar bescheidenheid dan aan haar haar pijn "(Mursurillo 1972: 129). Dus, in een poging om de plaats van vrouwelijke martelaren in het vroege christendom te begrijpen, is het niet alleen de rol van de martelaar als iemand die Christus imiteert, en die hem opnieuw presenteert aan de wereld, die kritiek is. Daarnaast is het ook noodzakelijk om de oude hiërarchische kijk op het menselijk lichaam, de plaats van mannen en vrouwen op dat hiërarchische raamwerk en de gehechtheid van specifieke deugden aan het mannelijke geslacht of het vrouwelijke geslacht te begrijpen.

ORGANISATORISCHE ROLLEN 

Bij het sterven als martelaar dienden vrouwen, als mannen, als bemiddelaars tussen God en hun christelijke gemeenschappen. Zich bevindend in de plaats van Christus die leed, stierf en waarvan werd aangenomen dat hij weer was opgestaan, maakten zij de mogelijkheid van een opstandingsoverwinning voor allen die geloofden reëel. Zoals afgebeeld in de martyrologieën, stond de vrouwelijke martelaar echter voor de extra uitdaging om vrouw te zijn en te blijven, zelfs toen ze het hiërarchische continuüm naar steeds grotere mannelijkheid, en uiteindelijk naar Christus, opvoer. Haar tentoonstelling van grote mannelijke deugd benadrukte haar superioriteit tegenover haar mannelijke vervolgers; tegelijkertijd illustreerde haar voorstelling van de vrouwelijke deugd dat wat als een meer behoorlijke ondergeschikte rol werd beschouwd in relatie tot haar christelijke broeders. Dus, in haar lichaam, overtrof de vrouwelijke martelaar de Romeinse gendernormen en versterkte ze tegelijkertijd.

Het moet ook worden opgemerkt dat de impact van de martelaar op de wereld niet is geëindigd met haar dood, maar eerder daar is begonnen. Als trouwe gelovigen wiens rol was geweest om in de plaats van Christus te staan, werden martelaars beschouwd als heilige personen. Daarom waren ze zeer vereerd. Hoewel niet altijd mogelijk, probeerden christenen vaak hun overblijfselen na de dood te verzamelen, wat leidde tot het gebruik van de verering van relikwieën, evenals de bouw van vele heiligdommen en plaatsen van aanbidding georganiseerd rond de lichamen van de heiligen, zowel vrouwen als mannen .

PROBLEMEN / UITDAGINGEN 

Zoals te zien was, onder het oude paradigma van het lichaam (en de bijbehorende deugden) als hiërarchisch, was de vrouw duidelijk in het nadeel. Met betrekking tot de man was zij alles wat minder was. Voor de vrouwelijke christen die voor Christus de dood tegemoet ging, was dit duidelijk een uitdaging. Toch werd deze zwakte in de handen van de vertellers van veel van de martelaarverhalen vaak de grootste kracht van de martelaar. In verschillende gevallen laten de verhalen zien dat dit specifiek komt doordat de vrouwelijke martelares begon als de laagste op de hiërarchie dat ze in de dood begrepen wordt als een hoogte bereikt die wordt beschouwd als gelijk aan, of zelfs hoger, dan die bereikt door haar mannelijke tegenhangers. Bijvoorbeeld, van Blandina, [Afbeelding rechts], de jonge slavenvrouw, werd gezegd, "klein, zwak en onbeduidend als ze was, zou ze inspiratie geven aan haar broers, want ze had Christus aangetrokken, die machtige en onoverwinnelijke atleet en de tegenstander overwonnen ... "(Musurillo 1972: 75). Evenzo schrijft de historicus van de vierde eeuw, Eusebius, in zijn beschrijving van de verschrikkingen van vroege christenen: "de vrouwen waren niet minder mannelijk dan de mannen ten behoeve van de leer van het goddelijke Woord, omdat zij conflicten met de mannen doormaakten , en veroordeelde gelijke prijzen van deugd "(Eusebius 1982: 8.14.14). De gegeven betekenis is die van het verschil tussen een deelnemer die op niveau zeven begint en naar niveau tien gaat ten opzichte van de deelnemer die op niveau één begint en naar tien gaat.

In de oudheid begon het vrouwtje altijd op een lager niveau dan de man. Niettemin werd de kracht van de martelaar, net als die van Christus, geopenbaard in zijn / haar zwakheid. In christelijke martyrologieën werd dat punt het meest levendig uitgebeeld in het lichaam van de vrouw die stierf tijdens het proces van het opnieuw presenteren van Christus. Toch is het oude begrip van het vrouwelijk lichaam als inferieur aan het mannelijk lichaam en de daaropvolgende valorisatie van de vrouwelijke martelaren zwak Lichaam, specifiek omdat het de status van man bereikt, roept serieuze vragen op voor christenen. Zijn de verslagen van vrouwelijke martelaren tegenwoordig nuttig als verzetsbewijzen; en zijn ze nog steeds waardevol in het opbouwen van gelovigen in onze moderne wereld? Of zijn het slechts paternalistische teksten die de ongelijkheid tussen vrouwen en mannen, die zo dominant is geweest in de christelijke traditie, verdoezelen en versterken?

Christelijke vrouwen hebben een scala aan antwoorden op deze vragen gegeven. Een aantal feministische denkers hebben vraagtekens gezet bij de fundamentele christelijke overtuiging dat Christus leed en stierf voor de mensheid, en dat zijn dood (of welke dood dan ook) verlossend kan zijn. Ze beweren dat een dergelijke theologie lijden verheerlijkt; dat het probeert iets moois te maken dat echt alleen maar afschuwelijk is, en dat het nooit anders mag worden gezien. Deze denkers beweren dat het beeld van Christus 'dood aan het kruis impliceert dat lijden goed is, en dat zo'n idee alleen attitudes en acties aanmoedigt die de minst machtigen in de samenleving tot slachtoffer maken en misbruiken. Voor vrouwen, die vaak al cultureel geconditioneerd zijn om hun eigen behoeften en welzijn op te offeren voor anderen, kan deze manier van denken bijzonder gevaarlijk zijn. Zoals Pamela Dickey Young opmerkte: “Jezus 'lijden als verlossing is in de geschiedenis van de traditie opgevat om te suggereren dat dit lijden een voorbeeld is dat door de gelovigen moet worden nagebootst. Maar het spant lichtgelovigheid toe om de vrouw die wordt mishandeld te suggereren dat ze handelt naar het voorbeeld van Jezus Christus en het lijden met geduld moet verdragen. Lijden centraal stellen in de christelijke traditie heeft niet iedereen evenveel invloed ”(Young 1995: 344–45). Bovendien, hoewel zeker minder expliciet in onze eigen wereld dan in die van de oude martelaren, wordt de opvatting dat vrouwen ongewoon goede offers brengen, vooral omdat ze buitengewoon kwetsbaar zijn, door sommigen als verwerpelijk beschouwd; dat wil zeggen, als een manier van denken die ten prooi valt aan de meest gemarginaliseerde mensen en zelfs hun onderdrukkers beloont (Daly 1973). Joanne Carlson Brown en Rebecca Parker stellen met kracht: “Om slachtoffers van terrorisatie te verheerlijken door hen een kwetsbaarheid toe te schrijven die bescherming door de sterkere rechtvaardigt, is de overtreding te verhullen. Degenen die proberen te beschermen, zijn schuldig. Gerechtigheid vindt plaats wanneer terrorisatie stopt, niet wanneer de toestand van de geterroriseerden wordt geprezen als een preventieve invloed ”(Brown en Parker 1989: 13).

Niettemin is de overtuiging van verlossing voor de mensheid door het lijden, de dood en de opstanding van Jezus Christus nauw verweven met het weefsel van het christendom. Christelijke feministen die blijven geloven in de verlossende kracht van Christus 'dood, benadrukken dat de Christus die leed en stierf aan het kruis een relationele god is, een trinitaire god, die geïncarneerd werd en leefde en stierf in solidariteit met de lijdende mensheid. Ze beweren dat het belangrijkste punt niet de mannelijkheid van Jezus is, noch zijn gruwelijke dood als betaling voor zonde. De cruciale factor is eerder dat God ervoor koos de mensheid te verlossen door in gemeenschap met de mensheid te treden, zelfs in al haar gebrokenheid. Het is deze solidariteit tussen de lijdende mensheid en God waarvan de martelaar getuigt. Deze getuige is doeltreffend ongeacht geslacht, aangezien: “Het beeld van Christus ligt niet in seksuele gelijkenis met de menselijke man Jezus, maar in samenhang met de verhalende vorm van zijn medelevende, bevrijdende leven in de wereld, door de kracht van de Spirit "(Johnson 1977: 73). Als God vervaagde Jezus in het vlees de grens tussen God en de mensheid. Als navolgers van Christus deden christelijke martelaren hetzelfde en blijven ze hetzelfde doen. Zoals Jon Sobrino zo aangrijpend schrijft met betrekking tot vier Noord-Amerikaanse kerkelijken die in El Salvador zijn gedood:

Ik heb gestaan ​​bij de lichamen van Maura Clarke, Ita Ford, Dorothy Kazel en Jean Donovan. . . . De vermoorde Christus is hier in de persoon van vier vrouw. . . . Christus ligt hier dood onder ons. Hij is Maura, Ita, Dorothy en Jean. Maar hij is ook opgestaan ​​in dezelfde vier vrouwen, en hij houdt de hoop op bevrijding levend. . . . Redding komt tot ons door alle vrouwen en mannen die meer van de waarheid houden dan leugens, die meer willen geven dan ontvangen, en wiens liefde die allerhoogste liefde is die leven geeft in plaats van het voor zichzelf te houden. Ja, hun lijken vullen ons met verdriet en verontwaardiging. En toch moet ons laatste woord zijn: bedankt. In Maura, Ita, Dorothy en Jean heeft God El Salvador bezocht (Sobrino 1988: 153-56; ook geciteerd in Johnson 1997: 74 en Gandolfo 2007: 41).

Als navolgers van Christus werden de martelaren, of ze nu vrouwelijk of mannelijk waren, begrepen als deelnemers aan het drama van de verlossing. Het lichaam van de martelaar, hoe nederig ook, diende als het vat waardoor die martelaar één werd met Christus, en waardoor Christus, geïncarneerde God, dan zichtbaar zou worden in de wereld en in staat zou zijn om de wereld aan te raken. Vandaar dat zelfs van iemand die zo laag in het spectrum staat als de slavin Blandina, werd gezegd dat toeschouwers niet zagen dat de vrouw op een paal werd gezet maar eerder, "in de vorm van hun zuster, hij die voor hen was gekruisigd" ( Eusebius 1982: 5.1.41).

Voor gelovigen was zo'n transformatie krachtig. Het illustreerde dat in Christus "iedereen [zelfs een slaaf en een vrouw] die lijdt voor de glorie van Christus, altijd gemeenschap heeft met de levende God" (Eusebius 1982: 5.1.41). In die mogelijkheid werd de hoop op een nieuw leven, een vrij van ongerechtigheid en onrecht, aan iedereen beschikbaar gesteld. Gedurende de hele christelijke geschiedenis hebben de verhalen van de martelaren gediend als symbolen van dergelijke hoop. In Christus werd het slachtoffer overwinnaar; en op zijn minst in het zicht van velen, werd echte kracht perfect gemaakt in zwakheid. De martelaars belichaamden dit geloof.

REFERENTIES

Boyarin, Daniel. 1999. Sterven voor God: Martelaarschap en het maken van christendom en jodendom. Stanford: Stanford University Press. 

Brown, Joanne Carlson en Rebecca Parker. 1989. "Voor God zo van de wereld gehouden?" Pp. 1-30 in Christendom, patriarchaat en mishandeling: een feministische kritiek, onder redactie van Joanne Carlson Brown en Carole R. Bohn. New York: Pilgrim Press.

Burrus, Virginia. 2008. "Marteling en travail: de christelijke martelaar produceren." Pp. 56-71 in Een feministische metgezel van de patristische literatuur, bewerkt door Amy-Jill Levine. Londen: Bloomsbury.

Burrus, Virginia. 1995. "Agnes lezen: de retoriek van het geslacht in Ambrosius en Prudentius." Journal of Early Christian Studies 3: 25-46.

Cardman, Francine. 1988. "Handelingen van de vrouwelijke martelaren." Anglicaanse theologische beoordeling 70: 144-50.

Castelli, Elizabeth A. 2007. Martyrdom and Memory: vroeg christelijk cultuur maken. New York: Columbia University Press.

Cobb, Stephanie L. 2008. Sterven om mannen te zijn: geslacht en taal in teksten van vroege christelijke martelaars. New York: Columbia University Press.

Daly, Mary. 1973. Voorbij God de Vader: Op weg naar een filosofie van vrouwenbevrijding. New York: Houghton Mifflin.

Eusebius. Kerkgeschiedenis. 1982. Niceense en post-Niceense vaders van de christelijke kerk, vol. 1. Vertaald door Arthur Cushman McGiffert, onder redactie van Philip Schaff en Henry Wace. Grand Rapids, MI: William. B. Eerdmans, 1982.

Frend, WHC 1965. Martelaarschap en vervolging in de vroege kerk: een onderzoek naar een conflict tussen de Makkabeeën en Donatus. Ann Arbor, MI: Basil Blackwell.

Gandolfo, Elizabeth O'Donnell. 2007. "Vrouwen en martelaarschap: feministische bevrijdingstheologie in dialoog met een Latijns-Amerikaans paradigma." Horizons 34: 26-53.

Goodine, Elizabeth A. en Matthew W. Mitchell. 2005. "De overtuigingskracht van een vrouw: de verkeerde vertaling en de verkeerde interpretatie van Eusebius ' Historia Ecclesiastica 5.1.41. " Journal of Early Christian Studies 13: 1-19.

Hampson, Daphne. 1990. Theologie en feminisme. Oxford: Blackwell.

Johnson, Elizabeth A. 1997. She Who Is: The Mystery of God in Feminist Theological Discourse. New York: Crossroad.

Laqueur, Thomas. 1990. Sex maken: lichaam en geslacht van de Grieken tot Freud. Cambridge, MA: Harvard University Press.

Lefkowitz, Mary R. 1976. "The Motivations for St. Perpetua's Martyrdom." Tijdschrift van de American Academy of Religion 44: 417-21.

Moss, Candida R. 2010. De andere christussen: Jezus navolgen in de antieke christelijke ideologieën van het martelaarschap. New York: Oxford University Press.

Mursurillo, Herbert, comp. 1972. De daden van de christelijke martelaren. Oxford: Oxford University Press.

Rankka, Kristine M. 1998. Women and the Value of Suffering: An Aw (e) ful Roeien naar God. Collegeville, MN: Liturgische pers.

Shaw, Brent D. 1996. "Body / Power / Identity: Passions of the Martyrs." Journal of Early Christian Studies 4: 269-312.

Sobrino, Jon. 1988. Spiritualiteit van bevrijding: op weg naar politieke heiligheid. Vertaald door Robert R. Barr. Maryknoll, NY: Orbis.

Storkey, Elaine. 1994. "Verzoening en Feminisme." Aambeeld 11: 227-35.

Sullivan, Lisa M. 1997. "Ik antwoordde: 'I Will Not ...': het christendom als katalysator voor verzet in de Passio Perpetuae et Felicitates. "Semeia 79: 63-74.

Tertullianus. Verontschuldiging. 1986. De vaderen van Ante-Nicene. Vol. 3. Gerangschikt met notities en prefaces door A. Cleveland Coxe, onder redactie van Alexander Roberts en James Donaldson. Grand Rapids, MI: William. B. Eerdmans.

Young, Pamela Dickey. 1995. "Beyond Moral Invloed op een Atoning Life." Theologie vandaag 52: 344-55.

Jong, Pamela Dickey. 1986. "De mannelijke redder van het christendom - een probleem voor vrouwen?" Toetssteen 4: 13-21.

Young, Robin Darling. 2001. In processie voor de wereld: martelaarschap als openbare liturgie in het vroege christendom. Milwaukee: Marquette University Press.

AFBEELDINGEN
Afbeelding #1: mozaïekafbeelding van Saint Perpetua.
Afbeelding #2: tekening van Blandine.
Afbeelding #3: foto van deelnemers aan een herdenkingsdienst met foto's van vier Amerikaanse kerkelijken gedood in El Salvador.

Geplaatst:
30 april 2016

 

Deel